ECLI:NL:RBZWB:2023:5705
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toepassing verlaagd overdrachtsbelastingtarief voor pand met kantoorbestemming
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur inzake de toepassing van het verlaagde tarief van 2% overdrachtsbelasting voor een pand te [plaats 2]. Het pand was oorspronkelijk gebouwd als woning, maar is sinds 1961 in gebruik als kantoorruimte en is sindsdien meerdere malen verbouwd en verkocht. Ten tijde van de verkrijging was het pand anti-kraak bewoond en had het een gemengde bestemming.
De rechtbank heeft beoordeeld of het pand naar zijn aard als woning kan worden aangemerkt volgens artikel 14, tweede lid, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer, waarbij aansluiting is gezocht bij het doel waarvoor het pand oorspronkelijk is ontworpen en gebouwd. Gelet op de inrichting, de aanwezigheid van kantoorvoorzieningen en de noodzakelijke aanpassingen om het pand weer geschikt te maken voor bewoning, concludeert de rechtbank dat het pand geen woning was op het moment van verkrijging.
De rechtbank volgt hierbij de jurisprudentie van de Hoge Raad van 24 februari 2017, waarin is bepaald dat een pand dat oorspronkelijk als woning is gebouwd, maar verbouwd is voor ander gebruik, slechts als woning wordt aangemerkt indien beperkte aanpassingen nodig zijn om het weer voor bewoning geschikt te maken. De rechtbank acht de aanpassingen in dit geval niet beperkt en verklaart het beroep van belanghebbende ongegrond.
Hierdoor is het standaardtarief van 6% overdrachtsbelasting terecht toegepast en wordt geen teruggaaf verleend. Belanghebbende krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en het standaardtarief van 6% overdrachtsbelasting is terecht toegepast.