ECLI:NL:RBZWB:2023:5735
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot verhoging WIA-dagloon wegens niet voldoen aan artikel 13a WIA
Eiser werkte bij twee werkgevers en viel op verschillende momenten uit wegens ziekte. Na het bereiken van het einde van de wachttijd kende het UWV een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een vastgesteld dagloon gebaseerd op het inkomen in een referteperiode. Eiser verzocht om verhoging van het dagloon na zijn tweede ziekmelding, maar het UWV wees dit af omdat hij niet voldeed aan de dwingendrechtelijke voorwaarden van artikel 13a van de WIA.
De rechtbank beoordeelde of het UWV terecht het dagloon niet had herzien. Eiser stelde dat de wetgever zijn situatie over het hoofd had gezien en dat het evenredigheidsbeginsel analoog toegepast moest worden om onredelijke gevolgen te voorkomen. De rechtbank oordeelde echter dat artikel 13a WIA dwingendrechtelijk is en dat de wetgever bewust heeft gekozen voor de voorwaarden, waaronder dat de tweede arbeidsongeschiktheid moet zijn ingetreden na het ontstaan van het recht op WIA-uitkering.
De rechtbank concludeerde dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die niet of niet ten volle door de wetgever zijn verdisconteerd en dat daarom geen ruimte is voor contra legem toepassing van het evenredigheidsbeginsel. Het beroep van eiser is ongegrond verklaard, en hij krijgt geen vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de weigering tot verhoging van het WIA-dagloon wordt ongegrond verklaard.