Betrokkene was werkzaam in het Verenigd Koninkrijk en werd daar ernstig ziek, waarna hij naar Nederland terugkeerde voor behandeling. Na het beëindigen van zijn tijdelijke contract vroeg hij een WW-uitkering aan bij het Uwv, die werd geweigerd omdat hij niet voldeed aan de referte-eis: in de 36 weken voorafgaand aan werkloosheid moest hij in ten minste 26 weken minstens één arbeidsuur hebben gewerkt.
De rechtbank oordeelde aanvankelijk dat betrokkene recht had op de uitkering, maar het Uwv ging in hoger beroep. De Raad stelde vast dat betrokkene in maart, april en mei 2020 Statutory Sick Pay (SSP) ontving wegens ziekte en daardoor niet aan de referte-eis voldeed. Betrokkene kon niet aannemelijk maken dat hij in maart 2020 elke week een arbeidsuur had gewerkt, ondanks enkele werkzaamheden zoals het afzeggen van evenementen.
De Raad verwierp ook het beroep op het evenredigheidsbeginsel en contra legem toepassing, aangezien de referte-eis dwingendrechtelijk is en de wetgever de gevolgen heeft voorzien. De Raad vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en bevestigde dat betrokkene geen recht heeft op een WW-uitkering.