Uitspraak
1.[verzoeker01] V.O.F.,
2.
[verzoeker02],
3.
[verzoeker03],
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Partijen sloten op 14 januari 2015 een overeenkomst waarbij [verzoekers01] zwembadwater huurde van Strandhotel Westduin voor commerciële activiteiten zoals zwemles en fysiotherapie. De overeenkomst werd opgezegd met ontruiming per 31 december 2022.
[Verzoekers01] verzocht de rechtbank primair om niet-ontvankelijkheid van het verzoek en subsidiair om verlenging van de ontruimingstermijn tot 31 december 2023 wegens ernstige belangenverstrengeling. Strandhotel Westduin betwistte de huurovereenkomst en stelde dat het zwembad geen bedrijfsruimte is in de zin van artikel 7:290 BW Pro, maar viel onder artikel 7:230a BW.
De rechtbank oordeelde dat sprake is van een huurovereenkomst, maar dat het gehuurde geen bedrijfsruimte is volgens artikel 7:290 BW Pro omdat zwembaden niet onder de limitatieve opsomming vallen en er geen shop-in-shop situatie is. Daarom is artikel 7:230a BW van toepassing. De belangenafweging leidde tot afwijzing van het verzoek tot verlenging, omdat Strandhotel Westduin zwaarwegende belangen heeft bij ontruiming en verbouwing van het zwembad, terwijl [verzoekers01] al lang op de hoogte was van het einde van de huur en geen concrete verhuisplannen heeft.
De ontruimingstermijn werd vastgesteld op 1 augustus 2023, wat [verzoekers01] enige tijd geeft om een oplossing te zoeken en Strandhotel Westduin de verbouwing na de zomervakantie mogelijk maakt. [Verzoekers01] werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Verzoek tot verlenging ontruimingstermijn afgewezen, ontruiming vastgesteld op 1 augustus 2023.