ECLI:NL:RBZWB:2023:5773

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 augustus 2023
Publicatiedatum
18 augustus 2023
Zaaknummer
AWB- 23_3374
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 4:17 AwbArt. 6:12 AwbArt. 7:10 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

College moet alsnog besluit nemen over parkeerplaats laadpaal na overschrijding beslistermijn

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Moerdijk om een parkeerplaats aan te wijzen voor een laadpaal. Het college heeft niet binnen de wettelijke termijn van twaalf weken beslist op dit bezwaar. Eiser heeft het college vervolgens in gebreke gesteld en beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond is omdat het college de beslistermijn heeft overschreden. De rechtbank beveelt het college om binnen twee weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit op bezwaar te nemen.

Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €100,- per dag dat het college te laat is, met een maximum van €15.000,-. Het college wordt ook veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiser.

De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 18 augustus 2023 door rechter A.G.J.M. de Weert.

Uitkomst: Het college moet binnen twee weken alsnog een besluit nemen en betaalt een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000,-.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/3374

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 augustus 2023 in de zaak tussen

[naam eiser], uit [plaatsnaam], eiser

(gemachtigde: mr.drs. C.R. Jansen),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Moerdijk.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld omdat het college volgens hem niet op tijd heeft beslist op het bezwaar van 23 februari 2022 tegen het besluit van 10 januari 2022 waarbij een parkeerplaats aan de [straatnaam] is aangewezen voor plaatsing van een laadpaal.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
2.1.
Bij brief van 22 juni 2023 en 10 juli 2023 heeft de rechtbank aan het college gevraagd de op de procedure ‘niet tijdig beslissen’ betrekking hebbende stukken in te dienen. Daarnaast is het college verzocht in een verweerschrift aan te geven of de beslistermijn is overschreden, wat de reden is van de overschrijding van de beslistermijn en binnen welke termijn een besluit is te verwachten. Ten slotte is het college gevraagd, indien paragraaf 4.1.3.2 van de Awb van toepassing is, of een dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van Pro de Awb is verbeurd en zo ja tot welk bedrag.
2.2.
Het college heeft bij brief van 17 juli 2023 de op de procedure betrekking hebbende stukken ingediend. Tot op heden heeft de rechtbank van het college geen verweerschrift ontvangen.
Is het beroep kennelijk gegrond?
3. Eiser heeft het bezwaarschrift ingediend op 23 februari 2022. Het college moet binnen zes weken beslissen, gerekend vanaf het moment waarop de bezwaartermijn voorbij is
.Omdat er een adviescommissie is, geldt in dit geval een termijn van twaalf weken. [2] Het college had dus uiterlijk op 18 mei 2022 moeten beslissen. De termijn waarbinnen het college moet beslissen is inmiddels voorbij. Eiser heeft het college op 19 mei 2023 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.
3.1.
Eiser heeft het college één jaar na afloop van de beslistermijn in gebreke gesteld. Uit het dossier blijkt dat er tussen partijen in deze periode contact is geweest. De rechtbank is van oordeel dat de ingebrekestelling niet onredelijk laat is ingediend en acht het beroep ontvankelijk.
3.2.
Het beroep is kennelijk gegrond.
Welke beslistermijn wordt aan het college opgelegd?
4. Omdat het college nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het college dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het college dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak.
Welke dwangsom wordt aan het college opgelegd?
5. De rechtbank bepaalt dat het college een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het college. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, het college de onder 4. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het college de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd.
6.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding voor zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 418,50 omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt het college op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;
- bepaalt dat het college aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • veroordeelt het college tot betaling van € 418,50 aan proceskosten aan eiser;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 184,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van
C.J.M. Hendrickx, griffier, op 18 augustus 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
2.Dit staat in artikel 7:10 en Pro 7:13 van de Awb.