Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan het tenlastegelegde feit.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Op 31 januari 2023 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in de strafzaak tegen verdachte, die werd verdacht van verkrachting gepleegd op 12 juni 2021. Het slachtoffer deed aangifte en verklaarde dat verdachte haar hardhandig had vastgehouden en binnengedrongen, wat werd ondersteund door het vastgestelde letsel.
De verdediging voerde een alternatief scenario aan waarbij sprake was van wederzijdse toestemming en verklaarde consistent dat er geen binnendringen heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft het bewijs getoetst aan de bewijsminimumregel voor zedenzaken, waarbij de verklaring van het slachtoffer werd ondersteund door het letsel, maar er ontbrak ander steunbewijs zoals getuigenverklaringen.
Ondanks het letsel en de verklaring van het slachtoffer constateerde de rechtbank meerdere inconsistenties in de verklaringen van het slachtoffer en opmerkelijke omstandigheden, zoals het ontbreken van geschreeuw of getuigen die het verhaal ondersteunen. De rechtbank achtte de alternatieve verklaring van verdachte aannemelijk en vond onvoldoende overtuiging dat verdachte zich schuldig had gemaakt aan verkrachting.
Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van het tenlastegelegde feit wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige bewijswaardering en het bewijsminimum in zedenzaken.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken van verkrachting wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.