ECLI:NL:RBZWB:2023:5844

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 augustus 2023
Publicatiedatum
22 augustus 2023
Zaaknummer
AWB- 23_3528
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 6:12 AwbArt. 4.4 Woo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Minister moet alsnog binnen termijn beslissen op Woo-verzoek en dwangsom betalen

Eiser heeft op 5 mei 2023 een verzoek ingediend bij de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit op grond van de Wet open overheid (Woo) om informatie over controles op garnalen en vissen en PFAS-metingen openbaar te maken.

De minister moest binnen vier weken beslissen, met een mogelijke eenmalige verlenging van twee weken. Hoewel de minister de beslistermijn op 5 juni 2023 met twee weken wilde verlengen, werd deze verdaging buiten de beslistermijn verstuurd, waardoor de termijn op 2 juni 2023 afliep zonder besluit.

Eiser stelde de minister op 16 juni 2023 in gebreke en na het verstrijken van twee weken zonder besluit stelde de rechtbank het beroep gegrond. De rechtbank verplicht de minister binnen twee weken na verzending van het vonnis alsnog een besluit te nemen en legt een dwangsom van €100 per dag op met een maximum van €15.000.

Daarnaast moet de minister het griffierecht van €184 aan eiser vergoeden. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 22 augustus 2023.

Uitkomst: De minister moet binnen twee weken alsnog beslissen en een dwangsom betalen bij overschrijding tot maximaal €15.000.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/3528

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 augustus 2022 in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld omdat de minister volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn verzoek (aanvraag) op grond van de Wet open overheid (Woo) van 5 mei 2023. Eiser heeft aan de minister verzocht om informatie openbaar te maken over controles van garnalen en vissen in 2022 en 2023 en resultaten metingen op PFAS van 1 januari 2022 tot 5 mei 2023.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
Is het beroep kennelijk gegrond?
3. Het beroep is kennelijk gegrond. Eiser heeft de aanvraag ingediend op 5 mei 2023. De minister moet binnen vier weken beslissen op de aanvraag en kan deze termijn eenmalig met twee weken verlengen. [2] De minister heeft de beslistermijn op 5 juni 2023 met twee weken verdaagd. De verdaging is buiten de beslistermijn verstuurd. De beslistermijn liep af op 2 juni 2023. De termijn waarbinnen de minister moet beslissen is inmiddels voorbij. Eiser heeft de minister op 16 juni 2023 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.
Welke beslistermijn moet aan de minister worden opgelegd?
4. Omdat de minister nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat de minister dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet de minister dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak.

Welke dwangsom wordt aan de minister opgelegd?

5. De rechtbank bepaalt dat de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door de minister. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, de minister de onder 4. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan de minister de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd.
7. Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die volgens de wet vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de minister op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 184,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van
C.J.M. Hendrickx, griffier, op 22 augustus 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
2.Dit staat in artikel 4.4, eerste en tweede lid, van de Woo.