ECLI:NL:RBZWB:2023:6018

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
28 augustus 2023
Publicatiedatum
29 augustus 2023
Zaaknummer
AWB- 23_3412
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 6:12 AwbArt. 7:10 AwbArt. 7:13 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op bezwaar kinderopvangtoeslag

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzende beschikking eerste toets kinderopvangtoeslag van €30.000,-. De Belastingdienst heeft niet binnen de wettelijke termijn van twaalf weken beslist op dit bezwaar. Eiseres heeft de Belastingdienst vervolgens ingebreke gesteld, wat de rechtbank als geldig beoordeelt ondanks een onjuist BSN.

De rechtbank oordeelt dat de Belastingdienst binnen zes weken na verzending van deze uitspraak alsnog moet beslissen op het bezwaar. Daarnaast wordt een dwangsom van €100,- per dag opgelegd met een maximum van €15.000,- voor elke dag dat de beslissing uitblijft. De rechtbank wijst ook proceskosten en griffierecht toe aan eiseres.

De uitspraak is gedaan zonder zitting omdat het beroep kennelijk gegrond is. De rechtbank volgt de motivering van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State voor het bepalen van de redelijke beslistermijn. De Belastingdienst heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar de reden van de late indiening van het bezwaar, waardoor het bezwaar niet als kennelijk niet-ontvankelijk kan worden beschouwd.

De uitspraak benadrukt het belang van tijdige besluitvorming door bestuursorganen en stelt duidelijke termijnen en sancties vast om de rechtszekerheid van betrokkenen te waarborgen.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, legt een beslistermijn van zes weken op en een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000 aan de Belastingdienst.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/3412

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 augustus 2023 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. I.M. van den Heuvel),
en

Belastingdienst/Toeslagen, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar bezwaar van 23 januari 2023 tegen de afwijzende beschikking eerste toets € 30.000,-.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
Is het beroep gegrond?
3. Het beroep is kennelijk gegrond. Eiseres heeft het bezwaarschrift ingediend op 23 januari 2023 en verweerder heeft het bezwaarschrift op 24 januari 2023 ontvangen. Verweerder moet binnen zes weken beslissen, gerekend vanaf het moment waarop de bezwaartermijn voorbij is
.Omdat eiseres het bezwaarschrift na de bezwaartermijn heeft ingediend, wordt er gerekend vanaf het moment van de ontvangst van het bezwaarschrift. In dit geval dus 24 januari 2023. Omdat er een adviescommissie is, geldt in dit geval een termijn van twaalf weken. [2] Verweerder had dus uiterlijk op 17 april 2023 moeten beslissen. De termijn waarbinnen verweerder moet beslissen is inmiddels voorbij. Eiseres heeft verweerder op 1 juni 2023 in gebreke gesteld en verweerder heeft de ingebrekestelling op 2 juni 2023 ontvangen. De rechtbank vindt, in tegenstelling tot verweerder, dat de ingebrekestelling wel geldig is. Het BSN is weliswaar onjuist, maar de overige gegevens zoals de naam en het adres van eiseres, de data en het kenmerk van het besluit van 1 september 2022 kloppen wel. Het had verweerder dus duidelijk kunnen zijn op wie de ingebrekestelling betrekking had. Sinds de ontvangst van de ingebrekestelling zijn twee weken voorbij gegaan.
Welke beslistermijn moet aan verweerder worden opgelegd?
4. Omdat verweerder nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen.
4.1.
Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank moet een termijn recht doen aan de reële mogelijkheden om op de aanvraag te beslissen, maar ook aan het belang om binnen afzienbare tijd een beslissing te ontvangen. Een langere termijn dan twee weken acht de rechtbank in dit geval aangewezen vanwege het grote aantal door verweerder te behandelen bezwaren. Onder verwijzing naar en in aansluiting op de motivering in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State [3] acht de rechtbank in dit geval een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak een redelijke termijn. Daarbij weegt de rechtbank mee dat sinds het indienen van het verweerschrift al enige tijd is verstreken.
Welke dwangsom wordt aan verweerder opgelegd?
De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat geen rechterlijke dwangsom verschuldigd is, omdat het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is. Uit het verweerschrift van 4 juli 2023 blijkt niet dat verweerder onderzoek heeft gedaan naar de reden voor de te late indiening van het bezwaarschrift. Verweerder kan dus nog niet oordelen dat het bezwaar (kennelijk) niet-ontvankelijk is.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt, verweerder de onder 4.2. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan verweerder de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd.
5.1.
Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 418,50 omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van € 418,50 aan proceskosten aan eiseres;
  • bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 50,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van mr. M.R. Jouvenaar, griffier, op 28 augustus 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
2.Dit staat in artikel 7:10 en Pro 7:13 van de Awb.
3.Uitspraak van 23 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3209.