ECLI:NL:RBZWB:2023:6163
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen kostenvergoeding bezwaarfase naheffingsaanslag parkeerbelasting afgewezen
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van de gemeente Breda inzake de kostenvergoeding voor de bezwaarfase van een naheffingsaanslag parkeerbelasting. De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk ongegrond is en doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:54 Awb Pro.
De kern van het geschil betreft de vraag of de beroepstermijn correct is berekend, waarbij belanghebbende stelt dat de uitspraak op bezwaar pas op 10 januari 2023 per e-mail bekend is gemaakt, waardoor de termijn later zou zijn gaan lopen. De rechtbank gaat, gelet op het ontbreken van bewijs van eerdere bekendmaking door de heffingsambtenaar, van deze stelling uit en acht het beroep tijdig ingesteld.
Het geschil spitst zich toe op de hoogte van de proceskostenvergoeding. Belanghebbende stelt dat door de latere bekendmaking een onjuist tarief is gehanteerd. De rechtbank oordeelt dat de bekendmaking geen voorwaarde is voor de totstandkoming van het besluit en dat het tarief uit 2022 terecht is toegepast. De latere bekendmaking rechtvaardigt geen andere conclusie, mede gelet op relevante jurisprudentie van de Hoge Raad.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en wijst een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep tegen de kostenvergoeding in de bezwaarfase van de naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt kennelijk ongegrond verklaard.