ECLI:NL:RBZWB:2023:6169
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen kostenvergoeding bezwaarfase naheffingsaanslag parkeerbelasting afgewezen
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van de gemeente Breda over de kostenvergoeding in de bezwaarfase van een naheffingsaanslag parkeerbelasting. De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk ongegrond is en doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:54 Awb Pro.
De kern van het geschil betreft de vraag of de beroepstermijn juist is berekend, waarbij belanghebbende stelt dat de uitspraak op bezwaar pas later, in januari 2023, bekend is gemaakt, waardoor het tarief voor de kostenvergoeding onjuist zou zijn toegepast. De rechtbank gaat op basis van het ontbreken van bewijs van de heffingsambtenaar uit van de latere bekendmaking en acht het beroep tijdig ingediend.
Echter, de rechtbank overweegt dat de bekendmaking van het besluit geen voorwaarde is voor de totstandkoming ervan en dat het besluit in 2022 is genomen. Daarom is het tarief uit 2022 terecht toegepast. De stelling van belanghebbende faalt en het beroep wordt kennelijk ongegrond verklaard. Een proceskostenveroordeling wordt niet toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de kostenvergoeding in de bezwaarfase wordt kennelijk ongegrond verklaard en afgewezen.