ECLI:NL:RBZWB:2023:6173
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen kostenvergoeding bezwaarfase naheffingsaanslag parkeerbelasting afgewezen
Belanghebbende stelde beroep in tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van de gemeente Breda inzake de kostenvergoeding voor de bezwaarfase van een naheffingsaanslag parkeerbelasting. De rechtbank oordeelde dat het beroep kennelijk ongegrond was en deed uitspraak zonder zitting.
De kern van het geschil betrof de vraag of de beroepstermijn correct was berekend, waarbij belanghebbende stelde dat de uitspraak op bezwaar pas later per e-mail was bekendgemaakt, waardoor een later tarief voor de kostenvergoeding had moeten gelden. De rechtbank ging op grond van het ontbreken van bewijs van tijdige bekendmaking uit van de stelling van belanghebbende dat de uitspraak pas in 2023 bekend werd gemaakt, waardoor het beroep tijdig was ingediend.
Echter, de rechtbank oordeelde dat bekendmaking van het besluit geen voorwaarde is voor de totstandkoming ervan en dat het tarief uit 2022 terecht was toegepast. De latere bekendmaking rechtvaardigde geen andere conclusie. Het beroep werd daarom kennelijk ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling werd afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de kostenvergoeding in de bezwaarfase van de naheffingsaanslag parkeerbelasting is kennelijk ongegrond verklaard.