ECLI:NL:RBZWB:2023:6177
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen kostenvergoeding bezwaarfase naheffingsaanslag parkeerbelasting afgewezen
Belanghebbende stelde beroep in tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar inzake de kostenvergoeding voor de bezwaarfase van een naheffingsaanslag parkeerbelasting. De rechtbank oordeelde dat het beroep tijdig was ingediend, omdat de uitspraak op bezwaar feitelijk pas later bekend werd gemaakt per e-mail, wat de beroepstermijn verlengde.
De kern van het geschil betrof de hoogte van de proceskostenvergoeding. Belanghebbende voerde aan dat door de latere bekendmaking een onjuist tarief was toegepast. De rechtbank stelde echter vast dat bekendmaking geen voorwaarde is voor de totstandkoming van het besluit en dat het besluit in 2022 is genomen. Daarom was het tarief van 2022 terecht gehanteerd.
De rechtbank verwierp het beroep als kennelijk ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan zonder zitting op grond van artikel 8:54 Awb Pro. De rechter was S.A.J. Bastiaansen, de griffier N. Plasman.
Uitkomst: Het beroep tegen de kostenvergoeding in de bezwaarfase van de naheffingsaanslag parkeerbelasting is kennelijk ongegrond verklaard.