ECLI:NL:RBZWB:2023:6178
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen kostenvergoeding parkeerbelasting na bezwaar ongegrond verklaard
Belanghebbende stelde beroep in tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar over de kostenvergoeding in de bezwaarfase van een naheffingsaanslag parkeerbelasting. De rechtbank oordeelde dat het beroep kennelijk ongegrond is en deed uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:54 Awb Pro.
De kern van het geschil betrof de vraag of de beroepstermijn correct was berekend en of de heffingsambtenaar het juiste tarief voor de kostenvergoeding had gehanteerd. Belanghebbende voerde aan dat de uitspraak op bezwaar pas in januari 2023 bekend was gemaakt, waardoor het latere tarief had moeten gelden.
De rechtbank nam aan dat de uitspraak op bezwaar feitelijk pas in 2023 bekend werd gemaakt, maar stelde vast dat bekendmaking geen voorwaarde is voor de totstandkoming van het besluit. Het besluit was in 2022 genomen en het juiste tarief was toen van toepassing. De stelling van belanghebbende faalde en het beroep werd ongegrond verklaard.
Er werd geen proceskostenvergoeding toegewezen aan belanghebbende. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid van een verzetschrift binnen zes weken.
Uitkomst: Het beroep tegen de kostenvergoeding parkeerbelasting is kennelijk ongegrond verklaard en afgewezen.