Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 augustus 2023 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats 1] , eiser
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Feiten en omstandigheden
Beroepsgronden
Wettelijk kader
Beoordeling door de rechtbank
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiser diende op 14 oktober 2021 een aanvraag in voor een uitkering op grond van de Participatiewet, welke door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alphen-Chaam is afgewezen. De afwijzing was gebaseerd op het ontbreken van bewijs dat eiser zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres te [plaats 1]. Na een bezwaarprocedure bleef het college bij haar standpunt, waarna eiser beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank overwoog dat de bewijslast voor het aantonen van bijstandbehoevendheid in beginsel bij de aanvrager ligt. Het college heeft onderzoek gedaan naar de woon- en verblijfplaats van eiser, onder meer via huisbezoeken, opvragen van gegevens bij woningbouwvereniging en waterleidingmaatschappij, en analyse van bankafschriften. Eiser is niet verschenen bij een uitnodiging voor een gesprek en kon niet aannemelijk maken dat hij op het opgegeven adres woonde.
De verklaringen van de buurvrouw en vriendin van eiser werden onvoldoende geacht om het hoofdverblijf te bevestigen. Ook de financiële gegevens en het lage waterverbruik ondersteunden het standpunt van het college. De rechtbank concludeerde dat het college terecht de aanvraag heeft afgewezen wegens onvoldoende bewijs van hoofdverblijf en bijstandbehoevendheid.
Het beroep werd ongegrond verklaard, eiser kreeg geen griffierecht terug en geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter V.M. Schotanus op 31 augustus 2023.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de uitkeringsaanvraag wegens onvoldoende bewijs van hoofdverblijf.