ECLI:NL:RBZWB:2023:6274
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing omgevingsvergunning verbouwing berging in strijd met bestemmingsplan
Eisers maakten bezwaar tegen de door het college verleende omgevingsvergunning aan vergunninghouder voor het verbouwen van een berging op een perceel in strijd met het bestemmingsplan. Het college handhaafde de vergunning met aangepaste motivering en voerde aan dat de afwijkingen binnen de toegestane binnenplanse afwijkingsbevoegdheid vielen en dat de kruimelgevallenregeling van toepassing was.
De rechtbank stelde vast dat de goothoogte en bebouwde oppervlakte van de berging de maximale waarden uit het bestemmingsplan overschreden, maar dat deze overschrijdingen binnen de 10% vrijstellingsmogelijkheid vielen. De nokhoogte was niet in strijd met het bestemmingsplan. De rechtbank oordeelde dat het college terecht het juiste peil hanteerde voor de metingen en dat de berging uit één bouwlaag bestond, waardoor de afstand tot de perceelgrens niet te kort was.
De rechtbank vond dat het college de belangen van eisers voldoende had afgewogen en dat de nadelige gevolgen van de vergunning niet onevenredig waren ten opzichte van de doelen van de vergunningverlening. De toepassing van de kruimelgevallenregeling voor de afwijking van de afschuiningshoek was eveneens terecht. Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de vergunning in stand bleef en eisers geen griffierecht of proceskostenvergoeding ontvingen.
Uitkomst: Het beroep van eisers wordt ongegrond verklaard en de omgevingsvergunning blijft in stand.