ECLI:NL:RBZWB:2023:6384

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
6 september 2023
Publicatiedatum
11 september 2023
Zaaknummer
AWB- 22_3580
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 ParticipatiewetArt. 16 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling intrekking bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenplicht en toepassing artikel 13 Participatiewet

Eiser ontving bijstandsuitkering van 17 oktober 2019 tot 27 september 2021, welke bij besluit van 12 oktober 2021 met ingang van 28 september 2021 werd ingetrokken wegens schending van de inlichtingenverplichting. Eiser voerde aan dat het strikt toepassen van artikel 13 van Pro de Participatiewet (PW) onredelijk was en in strijd met het evenredigheidsbeginsel, mede omdat hij geen waarschuwing had ontvangen en door het besluit een acute financiële noodsituatie was ontstaan.

De rechtbank overweegt dat artikel 13 PW Pro dwingend is en niet aan het evenredigheidsbeginsel kan worden getoetst. De uitzondering op artikel 13, namelijk artikel 16 PW Pro, vereist een acute noodsituatie die eiser niet aannemelijk heeft gemaakt. De summiere toelichting van eiser volstaat niet om te concluderen dat sprake was van een schrijnende situatie die een uitzondering rechtvaardigt.

De rechtbank bevestigt dat Baanbrekers terecht de bijstandsuitkering over de periode van 16 juli 2021 tot en met 27 september 2021 heeft ingetrokken en het bedrag van € 3.235,34 heeft teruggevorderd. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de bijstandsuitkering en terugvordering is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 22/3580 PW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 september 2023 in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. T.P.M. Kouwenaar),
en
het dagelijks bestuur van de Uitvoeringsorganisatie Baanbrekers(Baanbrekers), verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 20 juni 2022 (bestreden besluit).
Baanbrekers heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 17 augustus 2023 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: [naam] namens Baanbrekers. Eiser en zijn gemachtigde zijn - met voorafgaand bericht - niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiser heeft over de periode van 17 oktober 2019 tot 27 september 2021 een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande ontvangen. Het recht op bijstand is bij besluit van 12 oktober 2021 met ingang van 28 september 2021 ingetrokken wegens schending van de inlichtingenverplichting waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
Bij besluit van 1 maart 2022 (primair besluit) heeft Baanbrekers de bijstandsuitkering van eiser over de periode van 16 juli 2021 tot en met 27 september 2021 herzien (de rechtbank begrijpt: ingetrokken) en een bedrag van € 3.235,34 van hem teruggevorderd. Daarbij is overwogen dat eiser te lang in het buitenland heeft verbleven.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.
Met het bestreden besluit heeft Baanbrekers het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
2. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat het strikt en onverkort toepassen van artikel 13 van Pro de Participatiewet (PW) in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en niet in lijn is met het doel van de PW. Zeker gelet op het feit dat eiser geen signaal heeft gekregen van Baanbrekers dat hij in strijd zou handelen met zijn verplichtingen uit hoofde van de PW. Weliswaar heeft eiser kunnen voorzien in zijn levensonderhoud in Marokko, maar ondertussen liepen zijn vaste lasten in Nederland wel door. Door het bestreden besluit is een acute financiële noodsituatie ontstaan.
3. In geschil is of Baanbrekers terecht eisers bijstandsuitkering over de periode van 16 juli 2021 tot en met 27 september 2021 heeft ingetrokken en een bedrag van € 3.235,34 van hem heeft teruggevorderd.
4. Niet in geschil is dat eiser over de periode waar het hier om gaat op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e van de PW was uitgesloten van het recht op bijstand.
5. Met betrekking tot het beroep dat eiser heeft gedaan op het evenredigheidsbeginsel overweegt de rechtbank dat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e van de PW dwingend is geformuleerd en is neergelegd in een wet in formele zin. Een wet in formele zin kan niet worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel en voor een contra legem-toepassing van het evenredigheidsbeginsel is geen grond. Eiser heeft op geen enkele wijze onderbouwd waarom artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e van de PW zozeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel dat die toepassing in dit geval achterwege zou moeten blijven.
6. Baanbrekers kan aan een persoon die op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e van de PW geen recht op bijstand heeft, toch bijstand verlenen als zeer dringende redenen dat noodzakelijk maken. Deze uitzonderingsmogelijkheid staat in artikel 16, eerste lid, van de PW. Zeer dringende redenen in de zin van deze bepaling doen zich voor als er een acute noodsituatie is en de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand onvermijdelijk is. Van een acute noodsituatie is in ieder geval sprake als een situatie levensbedreigend is of als blijvend ernstig psychisch of lichamelijk letsel of invaliditeit daarvan het gevolg kan zijn, maar is niet tot die situaties beperkt. Ook in andere gevallen kan sprake zijn van een acute noodsituatie. Bij de beoordeling of een acute noodsituatie zich voordoet zal moeten worden meegewogen of het niet-verlenen van bijstand voor de betrokkene tot ernstige gevolgen leidt, met name voor diens gezondheid. Daarbij is verder van belang dat de wetgever bij het begrip ‘zeer dringende redenen’ heeft gedacht aan een extreme situatie en nadrukkelijk niet heeft beoogd een algemene ontsnappingsclausule te bieden. Daarom moet het gaan om een schrijnende situatie waarvan het evident is dat weigering van bijstand zonder meer onaanvaardbaar is (zie uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 13 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:985).
7. Omdat artikel 16, eerste lid, van de PW een uitzondering is op de hoofdregel van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e van de PW moet eiser aannemelijk maken dat hij in acute noodsituatie, zoals uitgelegd onder rechtsoverweging 5, verkeerde. Hij is daarin niet geslaagd. Uit de summiere (en niet onderbouwde) toelichting door eiser volgt niet dat hij in een acute noodsituatie verkeerde, ook niet nu dit begrip ruimer wordt opgevat dan voorheen.
8. Gelet op het vorenstaande heeft Baanbrekers terecht eisers bijstandsuitkering over de periode van 16 juli 2021 tot en met 27 september 2021 ingetrokken en een bedrag van
€ 3.235,34 van hem teruggevorderd.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van mr. S.C.J.J. van Roij, griffier op 6 september 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.