Uitspraak
1.[gedaagde 1] ,2. [gedaagde 2] ,
1.De procedure
2.De feiten
- Op 16 maart 20211 is een overeenkomst tot aanneming van werk tot stand gekomen, waarbij [eiser] zich heeft verbonden tot het realiseren van een uitbouw aan de woning van [gedaagde] en om aanpassingen te doen aan de garage.
- Op 30 december 2021 is het werk bevestigd voor een bedrag van in totaal
- Op 17 januari 2022 is [eiser] met de werkzaamheden gestart en op 23 maart 2022 is het werk aan [gedaagde] opgeleverd.
- In het e-mailbericht van 2 januari 2022 van [gedaagde] aan [eiser] is, voor zover het volgende bericht:
- Op 28 maart 2022 heeft [eiser] aan [gedaagde] per e-mailbericht de factuur met [nummer01] voor meerwerk ad € 5.980,36 inclusief btw gestuurd.
- Bij e-mailbericht van 4 april 2022 is aan [gedaagde] de factuur met [nummer02] betreffende de afrekening elektra ad € 5.459,42 inclusief btw gestuurd. Van deze factuur heeft [gedaagde] uiteindelijk een bedrag van € 3.993,00 betaald.
- Op 9 april 2022 heeft [gedaagde] per e-mailbericht gereageerd op de meerwerkfactuur en de factuur betreffende de elektra.
- Op 30 mei 2022 heeft de gemachtigde van [eiser] [gedaagde] nog tot betaling van
- Bij brief van 13 juni 2022 is namens [gedaagde] aangegeven dat alleen een bedrag van
- € 1.929,00 inclusief btw erkend wordt; de post elektra is door betaling van € 3.993,00 inclusief btw afgewikkeld.
3.Het geschil
- € 1.466,42 inclusief btw voor de elektra, € 1.929,00 inclusief btw voor het meerwerk en € 3.664,16 inclusief btw voor het meerwerk, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van verzuim tot aan de datum van de algehele voldoening, binnen drie dagen na dagtekening vonnis, althans binnen in goede justitie te bepalen periode;
- de wettelijke rente over € 3.993,00 inclusief btw voor de elektra, voor de periode van verzuim tot betaling, binnen drie dagen na dagtekening vonnis;
- € 727,98 aan buitengerechtelijke incassokosten;