ECLI:NL:RBZWB:2023:6668
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen legesheffing watervergunning voor herinrichting jachthaven ongegrond verklaard
Belanghebbende, een vennootschap onder firma, had een watervergunning aangevraagd voor de herinrichting van een jachthaven. De heffingsambtenaar van Waterschap Brabantse Delta legde hiervoor leges van €10.000,- op, gebaseerd op 4% van de bouwkosten van €250.000,-. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze leges, stellende dat geen vergunning vereist was en dat het bedrag onredelijk hoog was voor een klein familiebedrijf.
De rechtbank oordeelde dat op het moment van het besluit een watervergunning wel degelijk vereist was voor de werkzaamheden aan de jachthaven, losstaand van de omgevingsvergunning waarvoor reeds leges aan de gemeente waren betaald. Daarnaast concludeerde de rechtbank dat het legesbedrag niet onredelijk hoog was en niet willekeurig werd opgelegd. Belanghebbende had geen objectieve en verifieerbare gegevens overlegd die het tegendeel aannemelijk maakten.
De rechtbank stelde vast dat het waterschap bevoegd was om de leges te heffen en dat belanghebbende als aanvrager belastingplichtig was. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend. De uitspraak werd gedaan door rechter L.P. Hertsig op 5 september 2023 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.
Uitkomst: Het beroep tegen de legesheffing van €10.000,- voor de watervergunning wordt ongegrond verklaard.