De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 12 september 2023 de zaak tegen een minderjarige verdachte die werd verdacht van verschillende vormen van witwassen en medeplichtigheid daaraan.
De verdediging voerde primair verjaring aan, aangezien de feiten dateren van augustus 2017 en de verjaringstermijn voor minderjarigen is gehalveerd. Subsidiair werd gesteld dat de redelijke termijn fors was overschreden, waardoor vervolging niet ontvankelijk zou moeten worden verklaard. De officier van justitie betwistte dit en stelde dat de verjaring was gestuit door een doorzoekingsvordering in een medeverdachtenzaak en een concept-tenlastelegging in 2022.
De rechtbank oordeelde dat voor schuldwitwassen en eenvoudig witwassen de verjaringstermijn was verstreken, waardoor de officier van justitie niet ontvankelijk werd verklaard voor die feiten. Voor opzetwitwassen en medeplichtigheid daaraan was de vervolging wel ontvankelijk. De rechtbank sprak de verdachte vrij omdat niet bewezen kon worden dat zij wist dat het geld afkomstig was van een misdrijf. De verdachte was destijds 16 jaar, licht verstandelijk beperkt en handelde op aanraden van een oudere vriendin.
De benadeelde partijen werden niet ontvankelijk verklaard in hun vorderingen tot schadevergoeding vanwege de vrijspraak. Het vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer en uitgesproken in openbare zitting.