Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
Inleiding
Wat vindt het UWV
.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiser, die zich in juli 2019 ziekmeldde vanwege gezondheidsklachten na een ongeval, verzocht om een WIA-uitkering. Het UWV wees dit af omdat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht, namelijk 15,30%, gebaseerd op medisch en arbeidskundig onderzoek.
Eiser betwistte deze beoordeling en stelde dat zijn nek- en cognitieve klachten onvoldoende waren meegewogen, en dat het onderzoek ondeugdelijk was. Hij voerde aan dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) moest worden aangescherpt en dat de arbeidsdeskundige onvoldoende onderzoek had gedaan.
De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, waarbij de verzekeringsarts alle klachten en medische informatie had betrokken. De arts motiveerde overtuigend waarom de beperkingen niet verder gingen dan vastgesteld. De arbeidsdeskundige had op basis van de FML passende functies geduid, en het lagere uurloon van reservefuncties was niet strijdig met het Schattingsbesluit.
De rechtbank concludeerde dat het UWV terecht had besloten dat eiser geen recht had op een WIA-uitkering. Ook was er geen sprake van schending van artikel 3:4 Awb Pro omdat de wet geen ruimte laat voor belangenafweging bij de vaststelling van arbeidsongeschiktheid. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van de WIA-uitkering wordt ongegrond verklaard.