ECLI:NL:CRVB:2021:190
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante was sinds 2012 ziek gemeld wegens psychische klachten en ontving een WIA-uitkering wegens volledige arbeidsongeschiktheid. Na herbeoordeling stelde het UWV in 2017 de arbeidsongeschiktheid vast op 45,86%, maar na bezwaar van de ex-werkgever werd dit in 2018 bijgesteld naar 31,14%, waarna de uitkering werd beëindigd per 28 juni 2018.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat de selectie van functies door de arbeidsdeskundige niet correct was en dat de mate van arbeidsongeschiktheid daardoor te laag was vastgesteld. De Raad oordeelde dat de functieselectie conform vaste rechtspraak was uitgevoerd, met de drie functies waarin appellante het meeste kan verdienen, en dat de niet-geschikte functies terecht waren uitgesloten.
Hoewel het bestreden besluit niet deugdelijk was gemotiveerd in strijd met artikel 7:12, eerste lid, Awb, werd dit gebrek gepasseerd omdat het besluit ook zonder dit gebrek dezelfde uitkomst zou hebben gehad. Het hoger beroep van appellante werd daarom afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en griffierechten van appellante.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit tot beëindiging van de WIA-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.