AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Niet-ontvankelijkheid verzoek tot vergoeding kosten rechtsbijstand ex artikel 530 Sv
Verzoeker, een rechtspersoon, heeft een verzoekschrift ingediend op grond van artikel 530 vanPro het Wetboek van Strafvordering voor vergoeding van kosten rechtsbijstand en een forfaitaire vergoeding. Dit verzoek volgde op een gegrondverklaard klaagschrift ex artikel 552a Sv, waarbij inbeslaggenomen goederen werden teruggegeven.
De rechtbank heeft vastgesteld dat het verzoekschrift niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van drie maanden na beëindiging van de zaak is ingediend. De beslissing op het klaagschrift werd op 18 juli 2022 genomen en op 21 juli 2022 aan de advocaat van verzoeker per e-mail toegezonden. Het verzoekschrift had uiterlijk op 20 oktober 2022 ontvangen moeten zijn, maar werd pas op 22 oktober 2022 ingediend.
Verzoeker heeft geen redenen aangevoerd die de termijnoverschrijding zouden kunnen rechtvaardigen. De officier van justitie heeft primair betoogd dat het verzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard vanwege deze overschrijding. Subsidiair stelde zij dat de kosten onvoldoende waren onderbouwd.
De rechtbank volgt het standpunt van de officier van justitie en verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek. De beslissing is op 26 april 2023 uitgesproken in een openbare terechtzitting.
Uitkomst: Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de wettelijke termijn voor het indienen van het verzoek tot vergoeding van kosten rechtsbijstand.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team strafrecht
Locatie Breda
parketnummer: /
rk-nummer: 23-024231
Beslissing op het verzoekschrift ex artikel 530 vanPro het Wetboek van Strafvordering
Beslissing op het verzoekschrift ex artikel 530 vanPro het Wetboek van Strafvordering (hierna te noemen: Sv) ingekomen ter griffie op 24 oktober 2022, in de zaak:
[bedrijf] B.V.
gevestigd op het [vestigingsplaats]
vertegenwoordigd door [naam], aandeelhouder bij deze rechtspersoon
woonplaats kiezende ten kantore van mr. Y. Bouchikhi, Maliebaan 57 te 3581 CE Utrecht.
Verzoeker is [bedrijf] B.V. voornoemd.
1.De procedure
De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
het verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding ex artikel 530 SvProten laste van de Staat voor een bedrag van:
€ 3.025,00 inclusief BTW dan wel € 2.500,00 exclusief BTW, voor vergoeding van kosten rechtsbijstand;
€ 340,00 als forfaitaire vergoeding voor de kosten met betrekking tot het opstellen en indienen van het verzoekschrift dan wel € 680,00 bij behandeling van het verzoekschrift in raadkamer;
de beslissing op het klaagschrift ex artikel 552a Sv van de rechtbank van 18 juli 2022;
de schriftelijke reactie van de officier van justitie.
Op 13 april 2023 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij is de officier van justitie mr. S.B.C. Nicolaes, verzoeker gehoord.
Mr. Bouchikhi is niet in raadkamer verschenen. Verzoeker is behoorlijk opgeroepen maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.
Namens verzoeker is aangevoerd dat het door hem ingediende klaagschrift ex artikel 552a Sv bij beslissing van 18 juli 2022 heeft geleid tot gegrondverklaring van het klaagschrift door de rechtbank met teruggave van de (toen nog) inbeslaggenomen goederen. Verzoeker heeft kosten voor rechtsbijstand moeten maken in het kader van deze klaagschriftprocedure en stelt zich op het standpunt dat deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Met verzoeker is een prijs afgesproken ter hoogte van € 2.500,00 exclusief BTW, totaal bedragende € 3.025,00 inclusief BTW. Verzocht wordt dan ook deze vergoeding aan hem toe te kennen, te vermeerderen met de forfaitaire vergoeding voor de indiening en behandeling van het verzoekschrift.
In raadkamer heeft de officier van justitie zich primair op het standpunt gesteld dat verzoeker niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn verzoek, nu het verzoek niet binnen de termijn van drie maanden is ingediend. Subsidiair is gepersisteerd bij het schriftelijk standpunt, namelijk dat het verzoek dient te worden afgewezen, aangezien de kosten onvoldoende zijn onderbouwd. In de declaratie staat enkel “honorarium volgens overeenkomst” vermeld en de overeenkomst ontbreekt.
2.De beoordeling
De rechtbank overweegt als volgt.
De rechtbank stelt vast dat de verzoeken niet binnen drie maanden na beëindiging van de zaak zijn ingediend. De klaagschriftprocedure is op 18 juli 2022 door gegrondverklaring van het klaagschrift ex artikel 552a Sv geëindigd, welke beslissing op 21 juli 2022 per e-mail door de rechtbank aan de advocaat is toegestuurd. De verzoekschriften hadden gelet op de termijn van drie keer dertig dagen op uiterlijk 20 oktober 2022 door de rechtbank dienen te zijn ontvangen. De verzoekschriften zijn echter op 22 oktober 2022 ontvangen. Dat is te laat. Namens verzoeker zijn geen redenen van termijnoverschrijding aangevoerd, waardoor de rechtbank ook geen redenen ziet deze overschrijding verschoonbaar te achten. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat verzoeker niet ontvankelijk is in zijn verzoekschriften.
3.De beslissing
De rechtbank:
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoekschriften.
Deze beslissing is op 26 april 2023 gegeven door mr. A. Hello, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M. van Grinsven, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 april 2023.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing ex artikel 530 SvPro kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van deze beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (artikel 535 lid 1 SvPro).