ECLI:NL:RBZWB:2023:6959

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 april 2023
Publicatiedatum
9 oktober 2023
Zaaknummer
22-001884 en 22-001885
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Raadkamer
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 530 SvArt. 533 SvArt. 535 lid 1 Sv
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoekschriften vergoeding inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis

Verzoeker diende verzoekschriften in op grond van artikelen 530 en 533 van het Wetboek van Strafvordering, waarin hij vergoeding vorderde voor immateriële schade door inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis, alsmede een forfaitaire vergoeding voor de kosten van het indienen van de verzoekschriften.

De rechtbank constateerde dat de verzoekschriften niet door verzoeker zelf waren ondertekend. Gezien het ontbreken van een wettelijke bepaling die vertegenwoordiging bij het indienen van dergelijke verzoekschriften toestaat, oordeelde de rechtbank dat verzoeker niet-ontvankelijk is in zijn verzoeken.

De beslissing werd genomen tijdens de openbare terechtzitting van 26 april 2023, waarbij verzoeker niet aanwezig was maar vertegenwoordigd door zijn advocaat. Tegen deze beslissing staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.

Uitkomst: Verzoeker is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van zijn handtekening onder de verzoekschriften.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht
Locatie Breda
parketnummer: 02-291529-21
rk-nummers: 22-001884 en 22-001885
Beslissing op de verzoekschriften ex artikelen 533 en 530 van het Wetboek van Strafvordering
Beslissing op de verzoekschriften ex artikelen 530 en 533 van het Wetboek van Strafvordering (hierna te noemen: Sv) ingekomen ter griffie op 28 januari 2022, in de zaak:
[verzoeker]
geboren op [geboortedag] 1977 te [geboorteplaats] (Roemenië)
woonplaats kiezende ten kantore van mr. A.W. Syrier, Kruisstraat 307 te 3581 GK Utrecht.
Verzoeker is [verzoeker] voornoemd.

1.De procedure

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
 het verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding
ex artikel 533 Sv Proten laste van de Staat voor een bedrag van:
- € 260,00, € 260,00, voor schade wegens ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis;
 het verzoekschrift dat strekt tot toekenning van een vergoeding
ex artikel 530 Sv Proten laste van de Staat voor een bedrag van:
- € 340,00 € 340,00 als forfaitaire vergoeding voor de kosten met betrekking tot het opstellen en indienen van de verzoekschriften dan wel € 680,00 bij behandeling van de verzoekschriften in raadkamer;
  • de kennisgeving sepot van 27 oktober 2021;
  • de stukken waaruit blijkt dat verzoeker op 26 oktober 2021 in verzekering is gesteld;
  • de schriftelijke reactie van de officier van justitie.
Op 13 april 2023 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. S.B.C. Nicolaes en mr. A.W. Syrier als gemachtigd advocaat van verzoeker gehoord.
Verzoeker is behoorlijk opgeroepen maar niet bij de behandeling van het verzoek verschenen.
Namens verzoeker is aangevoerd dat de strafzaak tegen hem is geseponeerd. Verzoeker stelt immateriële schade te hebben geleden als gevolg van de door hem ondergane inverzekeringstelling op 26 en 27 oktober 2021. Verzocht wordt om hem hiervoor een vergoeding toe te kennen van € 260,00, te vermeerderen met de forfaitaire vergoeding voor de indiening en behandeling van de verzoekschriften.
In raadkamer heeft de advocaat gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De officier van justitie heeft zich schriftelijk en in raadkamer primair op het standpunt gesteld dat verzoeker niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn verzoek, nu het verzoekschrift niet is ondertekend door verzoeker. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het verzoek in zijn geheel kan worden toegewezen.

2.De beoordeling

De rechtbank overweegt als volgt.
De rechtbank constateert dat de verzoekschriften niet door verzoeker zijn ondertekend. Noch in artikel 533 Sv Pro noch elders in het Wetboek van Strafvordering is in indiening van een verzoekschrift door een gemachtigde uitdrukkelijk voorzien, zodat aangenomen moet worden dat de wetgever van vertegenwoordiging te dezen niet heeft willen weten (ECLI:NL:HR:1987:AB7723). De rechtbank is dan ook van oordeel dat verzoeker niet-ontvankelijk is in zijn verzoekschriften.

3.De beslissing

De rechtbank:
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoekschriften.
Deze beslissing is op 26 april 2023 gegeven door mr. A. Hello, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M. van Grinsven, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 april 2023.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen de beslissing ex artikel 533 en Pro ex 530 Sv kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na de dagtekening van deze beslissing en door verzoeker binnen een maand na de betekening van deze beslissing hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (artikel 535 lid 1 Sv Pro).