Belanghebbende was vennoot in een vennootschap onder firma die in 2017 werd ontbonden en verkocht. Hij deed aangifte inkomstenbelasting 2017 met een verzamelinkomen van € 0, terwijl de rechtbank Amsterdam de winst op € 48.657,23 had vastgesteld. De inspecteur legde aanslagen IB/PVV en Zvw 2017 op, inclusief belastingrente en een vergrijpboete.
De rechtbank oordeelt dat de aangifte inhoudelijke gebreken vertoont omdat het inkomen aanzienlijk lager is opgegeven dan de werkelijke winst. Hierdoor is de vereiste aangifte niet gedaan en volgt omkering en verzwaring van de bewijslast. De inspecteur heeft een redelijke schatting gemaakt op basis van concrete gegevens, en belanghebbende heeft onvoldoende bewijs geleverd dat de aanslagen te hoog zijn.
De vergrijpboete is terecht opgelegd wegens voorwaardelijke opzet, aangezien belanghebbende bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat te weinig belasting zou worden geheven. De rechtbank vermindert de boete van € 20.000 naar € 5.000 vanwege financiële draagkracht en matigt deze verder met 5% wegens overschrijding van de redelijke termijn, wat resulteert in een boete van € 4.750.
Het beroep tegen de aanslagen en belastingrente wordt ongegrond verklaard, het beroep tegen de boetebeschikking gegrond. De inspecteur moet het griffierecht vergoeden. De uitspraak is gedaan door rechter S.J. Willems-Ruesink op 3 november 2023.