ECLI:NL:RBZWB:2023:7492

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 oktober 2023
Publicatiedatum
30 oktober 2023
Zaaknummer
BRE 21/1143
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 7:1 AwbArt. 27h AWRArt. 28 AWR
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid bezwaar inkomstenbelasting 2017 wegens motiveringsgebrek bevestigd

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2017. Het bezwaarschrift werd tijdig ingediend maar bevatte geen motivering. De inspecteur verzocht belanghebbende tweemaal om nadere motivering, zonder resultaat. Daarom verklaarde de inspecteur het bezwaar niet-ontvankelijk. Belanghebbende stelde beroep in en overhandigde e-mails als bewijs van motivering, maar deze waren aan een verkeerd e-mailadres gericht en dus niet ontvangen.

De rechtbank oordeelt dat de onjuiste adressering voor risico van belanghebbende komt en bevestigt dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Het beroep tegen deze beslissing is ongegrond. Daarnaast werd beroep ingesteld tegen een tweede uitspraak op bezwaar, die volgens de rechtbank niet mogelijk is omdat het bezwaar met de eerste uitspraak is afgedaan. Dit beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.

De rechtbank veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan belanghebbende, omdat de tweede uitspraak op bezwaar onduidelijkheid veroorzaakte over de mogelijkheid tot beroep. De rechtbank komt niet toe aan inhoudelijke beoordeling van de aanslag of belastingrente. De uitspraak is gedaan door rechter S.J. Willems-Ruesink op 30 oktober 2023.

Uitkomst: Bezwaar tegen aanslag IB/PVV 2017 is terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van motivering; beroep tegen tweede uitspraak op bezwaar is niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Eindhoven
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 21/1143 en BRE 21/4629

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 oktober 2023 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] (België), belanghebbende,

( [gemachtigde] ),
en

de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen:
 uitspraak van de inspecteur van 3 februari 2021 op het bezwaar van belanghebbende (de eerste uitspraak op bezwaar) tegen de voor het jaar 2017 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) met [aanslagnummer] H.76.01 (de aanslag) en de bij gelijktijdige beschikking berekende belastingrente (belastingrentebeschikking) (
zaaknummer BRE 21/1143);
 de als ‘uitspraak op bezwaar’ aangeduide beslissing van de inspecteur van 30 september 2021 (de tweede uitspraak op bezwaar) die ook betrekking heeft op de hiervoor genoemde aanslag en belastingrentebeschikking voor het jaar 2017 (
zaaknummer BRE 21/4629).
1.1.
Belanghebbende heeft de rechtbank geïnformeerd dat het beroep in de zaak met
zaaknummer BRE 21/4629niet is gericht tegen de beslissing van de inspecteur op het verzoek om ambtshalve vermindering, die ook in de brief van 30 september 2021 is vervat.
1.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 17 oktober 2023 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen namens de inspecteur, mr. drs. [inspecteur] . De gemachtigde heeft zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur belanghebbendes bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2017 bij de eerste uitspraak op bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Verder beoordeelt de rechtbank of de gronden tegen de tweede uitspraak op bezwaar kunnen worden behandeld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2017 bij de eerste uitspraak op bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Verder is de rechtbank van oordeel dat het beroep tegen de tweede uitspraak op bezwaar niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Wel ziet de rechtbank in de gang van zaken met betrekking tot de tweede uitspraak op bezwaar aanleiding de inspecteur te veroordelen in de proceskosten van belanghebbende en voor vergoeding van het griffierecht. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Met dagtekening 29 september 2020 heeft de inspecteur de aanslag vastgesteld.
3.1.
De inspecteur heeft op 10 november 2020, en dus tijdig, belanghebbendes bezwaarschrift tegen de aanslag ontvangen. Dit bezwaarschrift luidt als volgt:
“Geachte mevrouw, heer,
Hierbij teken ik namens mijn cliënt [belanghebbende] , wonende op het adres zoals vermeld in bijgaande brief, bezwaar aan tegen bijgaande aanslag 2017. Nadere motivatie volgt.
Met vriendelijke groet,
tekent, […]”
3.2.
De inspecteur heeft belanghebbende met dagtekening 21 december 2020 verzocht zijn bezwaarschrift te motiveren en heeft dit verzoek bij brief van 8 januari 2021 herhaald. De inspecteur heeft belanghebbende in beide brieven erop gewezen dat het bezwaar niet-ontvankelijk zal worden verklaard als de motivering niet wordt ontvangen voor de in de betreffende brief genoemde uiterste datum.
3.3.
Bij de eerste uitspraak op bezwaar van 3 februari 2021 heeft de inspecteur het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van de gronden van het bezwaar.
3.4.
Met dagtekening 15 maart 2021 heeft belanghebbende tegen deze niet-ontvankelijkverklaring beroep ingesteld (BRE 21/1143). In beroep heeft belanghebbende emails van 24 december 2020, 14 januari 2021 en 22 januari 2021 overgelegd van de gemachtigde gericht aan mevrouw [medewerker belastingdienst] van de belastingdienst ( [medewerker belastingdienst] ). De e-mails zijn telkens gestuurd naar het [e-mailadres 1] . In de eerste twee e-mails staat dat de nadere onderbouwing van het bezwaarschrift op een later moment zal worden aangeleverd, de laatste e-mail betreft de motivering van het bezwaarschrift.
3.5.
Vervolgens heeft belanghebbende op 30 maart 2021 een verzoek gedaan aan de inspecteur om ambtshalve vermindering van de aanslag.
3.6.
De inspecteur heeft met dagtekening 30 september 2021 in een brief met als onderwerp “Betreft: Uitspraak op bezwaar en toelichting op de beslissing op verzoek om ambtshalve vermindering” gereageerd op het door belanghebbende gedane verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag (de ambtshalve beslissing) (zie 1.1) en de tweede uitspraak op bezwaar gedaan. De inspecteur schrijft in deze brief:
“Omdat ik uw bezwaarschrift niet binnen de uiterste termijn heb ontvangen, is het niet-ontvankelijk.

Uitspraak op bezwaar

Ik verklaar het bezwaar niet ontvankelijk.”
De brief bevat ook een rechtsmiddelverwijzing waarin is vermeld dat beroep openstaat tegen een uitspraak op bezwaar.

Motivering

Is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard? (BRE 21/1143)
4. De inspecteur heeft in zijn eerste uitspraak op bezwaar het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van de gronden van het bezwaar.
4.1.
De wet [1] bepaalt, voor zover hier van belang, dat een bezwaarschrift de gronden van het bezwaar moet bevatten. Ook bepaalt de wet [2] dat als niet aan die voorwaarde wordt voldaan, het bezwaar niet-ontvankelijk kan worden verklaard, mits de indiener van het bezwaar de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
4.2.
Belanghebbende stelt dat hij het bezwaar wél binnen de gestelde termijn gemotiveerd heeft en dat het bezwaar daarom ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Hij verwijst in dat kader naar de e-mail van 22 januari 2021 (de e-mail) gericht aan [medewerker belastingdienst] (zie 3.4). De inspecteur betwist de ontvangst van de e-mail.
4.3.
De rechtbank stelt voorop dat belanghebbendes bezwaarschrift, door de inspecteur ontvangen op 10 november 2020, geen motivering bevat (zie 3.1). Verder heeft de rechtbank ter zitting vastgesteld dat de e-mail verkeerd is geadresseerd. Uit de door belanghebbende overgelegde kopie van de e-mail volgt namelijk dat deze is geadresseerd aan [e-mailadres 1] . Dit terwijl inspecteur ter zitting aan de rechtbank heeft getoond dat het juiste e-mailadres [e-mailadres 2] is. In het door belanghebbende gebruikte e-mailadres ontbreekt dus een punt tussen “ [voorzetsel] ” en “ [achternaam] ”. Dit verklaart waarom de inspecteur de e-mail met de motivering van het bezwaarschrift niet heeft ontvangen.
4.4.
Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat [medewerker belastingdienst] haar emailadres (verkeerd) aan belanghebbende heeft verstrekt. Op de enige brief van [medewerker belastingdienst] die in het procesdossier zit, namelijk de rappelbrief van 8 januari 2021 (zie 3.2), is geen e-mailadres vermeld. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat de onjuiste adressering van de e-mail voor risico van belanghebbende dient te komen.
4.5.
Nu belanghebbende, ook nadat hij door de inspecteur in de gelegenheid is gesteld het motiveringsverzuim te herstellen, zijn bezwaar niet heeft gemotiveerd, is de rechtbank van oordeel dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Het beroep tegen de eerste uitspraak op bezwaar is daarom ongegrond.
Kan de rechtbank belanghebbendes gronden tegen de tweede uitspraak op bezwaar in behandeling nemen? (BRE 21/4629)
5. Belanghebbende heeft ook beroep ingesteld tegen de tweede uitspraak op bezwaar waarin de inspecteur het bezwaar opnieuw niet-ontvankelijk heeft verklaard. Uit een arrest van de Hoge Raad [3] volgt echter dat het doen van een tweede uitspraak op bezwaar niet mogelijk is. Het stelsel van wettelijke bepalingen die het beroep in belastingzaken regelen, brengt mee dat met het doen van uitspraak op bezwaar de behandeling van het bezwaar eindigt. Een nadere beslissing op een bezwaar is daarom niet aan te merken als een beslissing waartegen beroep kan worden ingesteld. [4] Het beroep tegen de tweede uitspraak op bezwaar is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank belanghebbendes gronden tegen de tweede uitspraak op bezwaar niet in behandeling kan nemen.
5.1.
Wel is de rechtbank van oordeel dat de vermelding dat sprake is van een uitspraak op bezwaar en de rechtsmiddelverwijzing op de tweede uitspraak op bezwaar redelijkerwijs de indruk hebben gewekt dat belanghebbende daartegen wél in beroep kon gaan. De brief van belanghebbende waarin hij opkomt tegen deze tweede uitspraak op bezwaar is ook binnen de beroepstermijn ontvangen. De rechtbank ziet in deze gang van zaken aanleiding de inspecteur te veroordelen in de proceskosten voor de beroepsfase en voor een vergoeding van het griffierecht (zie 6.1).

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep tegen de eerste uitspraak op bezwaar is ongegrond en het beroep tegen de tweede uitspraak op bezwaar is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank in beide gevallen niet toekomt aan een inhoudelijke behandeling van de aanslag en de belastingrentebeschikking.
6.1.
Gelet op het overwogene in 5.1 moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten voor de beroepsfase. De proceskosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 418,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 837 en een wegingsfactor 0,5 voor het gewicht van de zaak). De inspecteur heeft in zijn verweerschrift al aangegeven akkoord te gaan met de vergoeding hiervan. Overige kosten zijn niet gesteld.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep in de
zaak BRE 21/1143ongegrond;
- verklaart het beroep in de
zaak BRE 21/4629niet-ontvankelijk;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 49 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 418,50 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. J.H.M. van Ooijen, griffier, op 30 oktober 2023. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Aan deze uitspraak hoeft pas uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist. [5]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 6:5, eerste lid, onderdeel d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 6:6 van Pro de Awb.
3.Hoge Raad 20 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT1516.
4.Artikel 7:1, tweede lid, Awb.
5.Artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR.