Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Inleiding
2.Feiten
3.Beoordeling door de rechtbank
4.Conclusie en gevolgen
5.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, een kapitaalvennootschap opgericht naar Belize recht, kreeg naheffingsaanslagen omzetbelasting en vergrijpboeten opgelegd voor de jaren 2015 en 2016. De inspecteur stelde dat belanghebbende in Nederland gevestigd was omdat de feitelijk bestuurder en economisch aandeelhouder, de heer [naam 1], in Nederland woonde en vanuit zijn woonadres diensten verrichtte. De rechtbank bevestigde dat belanghebbende in Nederland gevestigd was en dat de naheffingsaanslagen terecht en niet te hoog waren vastgesteld op basis van bankafschriften en facturen.
De vergrijpboeten werden opgelegd wegens vermeende opzet door het opzetten van een buitenlandse structuur om ontdekking te bemoeilijken. De rechtbank oordeelde echter dat er sprake was van samenloop met de vergrijpboeten die aan de feitelijk bestuurder waren opgelegd, waardoor belanghebbende niet tweemaal voor hetzelfde feitencomplex gestraft mocht worden. Daarom vernietigde de rechtbank de vergrijpboeten.
Daarnaast kende de rechtbank belanghebbende een immateriële schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn van behandeling van de procedure met ruim een jaar. De vergoeding werd verdeeld over de inspecteur en de Minister van Justitie en Veiligheid. De rechtbank veroordeelde de inspecteur tevens tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: De naheffingsaanslagen omzetbelasting worden bevestigd, de vergrijpboeten vernietigd wegens samenloop en een immateriële schadevergoeding toegekend wegens overschrijding redelijke termijn.