Eiseres was van 1972 tot 1983 in dienst bij gedaagde en stelt dat zij ten onrechte is uitgesloten van pensioenvoorzieningen vanwege discriminatie op grond van huwelijk en deeltijdwerk. Zij vordert toelating tot de pensioenregeling met terugwerkende kracht en betaling van pensioenpremies en rente.
Gedaagde voert verjaring aan omdat stuitingsbrieven niet tijdig zijn ontvangen en betwist dat eiseres aan de voorwaarden voor deelname voldeed. De kantonrechter oordeelt dat de pensioenregeling vanaf 1983 deelname vereiste als staffunctionaris, wat eiseres niet was, en dat er voor die tijd geen collectieve regeling bestond waaruit aanspraken konden worden ontleend.
De wettelijke verjaringstermijn van vijf jaar is volgens de rechter van toepassing en is verlopen omdat stuitingsbrieven onjuist geadresseerd waren en gedaagde deze niet heeft ontvangen. Het beroep op redelijkheid en billijkheid faalt omdat eiseres meerdere pogingen deed om haar aanspraken kenbaar te maken en zij zelf verantwoordelijk is voor de juiste adressering.
Ten slotte wordt vastgesteld dat een vrouwelijke collega wel pensioenaanbod kreeg, wat de stelling van discriminatie ondermijnt. De vorderingen worden afgewezen en eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten.