ECLI:NL:RBZWB:2023:784
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voortzetting 30%-regeling wegens onderbreking langer dan drie maanden
Belanghebbende was in 2019 werkzaam voor een bedrijf en kwam daarvoor in Nederland wonen. Voor deze tewerkstelling was de 30%-regeling toegekend tot eind 2023. Na 31 mei 2019 ging belanghebbende met onbetaald verlof en bleef in Nederland wonen. Pas in december 2020 trad hij in dienst bij een nieuwe werkgever. De inspecteur weigerde de voortzetting van de 30%-regeling omdat de onderbreking tussen de tewerkstelling bij de oude werkgever en de nieuwe arbeidsovereenkomst langer dan drie maanden was.
De rechtbank oordeelde dat de tewerkstelling op 31 mei 2019 was geëindigd omdat belanghebbende geen opdrachten meer uitvoerde. De stelling dat hij onbetaald in dienst bleef, was niet aannemelijk en niet relevant. De periode tussen einde tewerkstelling en nieuwe arbeidsovereenkomst overschreed de drie maanden, waardoor voortzetting van de regeling niet mogelijk was.
Belanghebbende voerde aan dat hij eventueel terug zou zijn gegaan naar zijn land en dat zijn verblijfsvergunning met terugwerkende kracht was ingetrokken, maar de rechtbank vond dat hij feitelijk in Nederland bleef wonen en dat de wet niet op redelijkheid kan worden getoetst. Ook een beroep op het vertrouwensbeginsel vanwege vermeende toezeggingen van de Belastingdienst slaagde niet wegens gebrek aan bewijs.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde dat de 30%-regeling niet kan worden voortgezet. Belanghebbende krijgt geen griffierecht terug en geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt dat de 30%-regeling niet kan worden voortgezet vanwege een onderbreking van meer dan drie maanden.