ECLI:NL:RBZWB:2023:7961

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
16 november 2023
Publicatiedatum
16 november 2023
Zaaknummer
02-106593-22
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 279 SrArt. 4 Penitentiaire beginselenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens onttrekking minderjarige aan wettig gezag na plaatsing in zorginstelling

Op 27 april 2022 heeft verdachte een 15-jarig meisje, dat op dat moment onder toezicht stond van een zorginstelling op grond van een rechterlijke machtiging, onttrokken aan het wettig over haar gestelde gezag. Het meisje verbleef in de instelling ter bescherming vanwege een gezagsvacuüm en haar kwetsbare positie.

De rechtbank baseert haar oordeel op verklaringen van getuigen, aangifte van het Leger des Heils en telefonische gegevens die aantonen dat verdachte het meisje heeft weggehaald en dat er plannen waren om naar het buitenland te vluchten. De verdediging voerde aan dat de bewijslast onvoldoende was en dat de onttrekking in het belang van het meisje was, maar deze verweren werden verworpen.

De rechtbank oordeelt dat verdachte de beslissing van de kinderrechter heeft genegeerd en eigenrichting heeft gepleegd door het meisje mee te nemen. Gezien de ernst van het feit en het blanco strafblad van verdachte, legt de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden op, met aftrek van voorarrest. De straf wordt volledig uitgevoerd binnen de penitentiaire inrichting, met mogelijkheid tot deelname aan een penitentiair programma.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf wegens onttrekking van een minderjarige aan het wettig gezag.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-106593-22
vonnis van de meervoudige kamer van 16 november 2023
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag 1] 1981 te [geboorteplaats] ( [land] )
niet als ingezetene in de Basisregistratie Personen ingeschreven en zonder bekende feitelijke woon- of verblijfplaats in Nederland
gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Rotterdam Hoogvliet
raadsman mr. P.D. Popescu, advocaat te Amsterdam

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 2 november 2023, waarbij de officier van justitie, mr. M.P. de Graaf, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte [slachtoffer] (hierna telkens: [slachtoffer] ), die op dat moment met een rechterlijke machtiging in een instelling zat, heeft onttrokken aan het wettig over haar gestelde gezag.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen en baseert zich daarbij op de door het Leger des Heils gedane aangifte, de verklaring van de [getuige 1] en de tapgesprekken met het door verdachte gebruikte telefoonnummer. Hieruit blijkt dat het verdachte is geweest die [slachtoffer] op 27 april 2022 bij [zorginstelling] te [plaats] heeft weggehaald.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en heeft daartoe aangevoerd, dat de telefoongegevens van verdachte rond het tijdstip van 13.00 uur niet zijn opgevraagd en daarnaast dat het niet duidelijk is waar de in het dossier geverbaliseerde telefoongesprekken precies over gingen. Daarnaast is verdachte volgens de verdediging ook niet deugdelijk herkend. Tot slot voert de verdediging nog aan dat de machtigingen van de rechter-commissaris ontbreken waardoor de resultaten uit het technisch opsporingsonderzoek van het bewijs dienen te worden uitgesloten.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
De rechtbank is van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen vast is komen te staan dat de telefoon van verdachte op 27 april 2022 rond 16.00 uur en 22.00 uur zendmasten heeft aangestraald in de buurt van [zorginstelling] in [plaats] , de instelling waar [slachtoffer] op grond van een rechterlijke machtiging verbleef en vanwaar zij rond 13.00 uur die dag was meegenomen. Daarnaast vonden er met de telefoon van verdachte diezelfde dag enkele gesprekken plaats, die er op duiden dat in het bijzijn van verdachte een meisje aanwezig was en dat ze naar het buitenland wilden vluchten. Dit alles in combinatie met hetgeen de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] hebben verklaard en de beschrijving die ze geven van de man die op 27 april 2022 [slachtoffer] heeft geroepen en heeft meegenomen, maakt dat de rechtbank de onttrekking van [slachtoffer] aan het wettig over haar gestelde gezag door verdachte op 27 april 2022 wettig en overtuigend bewezen acht. Voor onttrekking in de periode na 27 april 2022 ziet de rechtbank onvoldoende bewijs in het dossier.
Voor wat betreft de in het dossier ontbrekende machtigingen van de rechter-commissaris tot verstrekking van historische verkeersgegevens en het opnemen van telecommunicatie heeft de rechtbank geconstateerd, dat die machtigingen tijdens het onderzoek ter terechtzitting alsnog door de officier van justitie aan de rechtbank en aan de verdediging ter hand zijn gesteld. Uit die machtigingen blijkt dat twee machtigingen aanvankelijk mondeling door de rechter-commissaris waren verleend en dat die mondelinge beslissingen op een later moment schriftelijk zijn vastgelegd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het opvragen van de telefoongegevens en het opnemen van de telecommunicatie rechtmatig is geweest en dat de resultaten van dat onderzoek voor het bewijs kunnen worden gebruikt.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 27 april 2022 te [plaats] , [gemeente] , opzettelijk een minderjarige, [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 2006, heeft onttrokken aan het wettig over haar gesteld gezag.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal
daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
5.1
De strafbaarheid van verdachte
5.1.1
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft aangevoerd dat de zogenaamde onttrekking in het belang van [slachtoffer] is geweest en daarom feitelijk geldt als de effectuering van de beschikking van de kinderrechter. Daarom ontbreekt het volgens de verdediging aan materiële wederrechtelijkheid en dient verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
5.1.2
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank verwerpt het door de verdediging gevoerde verweer en constateert dat verdachte een door de kinderrechter uitgesproken plaatsing naast zich neer heeft gelegd en [slachtoffer] uit [zorginstelling] heeft weggehaald.
De rechtbank is van oordeel dat uit niets is gebleken dat die door de kinderrechter genomen beslissing niet op goede gronden zou zijn genomen. Dit maakt dat de door verdachte uitgevoerde onttrekking van [slachtoffer] aan het gezag illegaal en een vorm van eigenrichting is en dat het daarom in ieder geval niet zo is dat de materiële wederrechtelijkheid ontbreekt.
Verdachte is derhalve strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met aftrek van voorarrest.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit en daarom geen strafmaatverweer gevoerd. Wel heeft de raadsman met klem verzocht om de zaak te laten rusten omdat in deze zaak het middel van het strafrecht erger is dan de kwaal.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Op 27 april 2022 verbleef [slachtoffer] bij de [zorginstelling] te [plaats] , waar zij sinds 31 december 2021 geplaatst was. Het Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, waar [zorginstelling] onder valt, was door de kinderrechter bij beschikking van 29 maart 2022 benoemd tot tijdelijk voogdes over [slachtoffer] . Terwijl [slachtoffer] met een medebewoonster op 27 april 2022 aan het sporten was, is verdachte op het terrein van [zorginstelling] verschenen en heeft hij [slachtoffer] , op dat moment een meisje van 15 jaren, zover gekregen om met hem mee te gaan. Sinds die dag verblijft [slachtoffer] waarschijnlijk in het buitenland en verblijft zij in ieder geval niet in de instelling die op dat moment volgens de kinderrechter het beste voor haar was.
Het verblijf in die instelling was ter bescherming van [slachtoffer] zelf en ook omdat onbekend was wie het gezag over haar had omdat er met de ouders van [slachtoffer] geen contact was en ook onbekend was waar zij verbleven.
Verdachte was ten tijde van het gepleegde feit een 41-jarige man die op de destijds 15 jarige [slachtoffer] kennelijk zoveel invloed had dat zij, na enige aarzeling, met hem mee is gegaan. Verdachte heeft [slachtoffer] daarmee opzettelijk onttrokken aan het wettig over haar gesteld gezag. De rechtbank is van oordeel dat dit een ernstig feit is. De kinderrechter heeft de beslissing om [slachtoffer] te plaatsen bij [zorginstelling] juist genomen ter bescherming van de gezondheid en het welzijn van [slachtoffer] . [slachtoffer] was immers nog maar 15 jaar en op dat moment was er sprake van een gezagsvacuüm. [slachtoffer] was kwetsbaar en door haar jonge leeftijd ook beïnvloedbaar en daar heeft verdachte gebruik van gemaakt. Verdachte heeft de door de kinderrechter genomen beslissing aan zijn laars gelapt door haar mee te nemen vanaf het terrein van [zorginstelling] . De rechtbank is van oordeel dat voor een dergelijk feit, waarbij zij ook rekening houdt met straffen die doorgaans voor soortgelijke feiten worden opgelegd, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden op zijn plaats is, waarbij zij ook rekening heeft gehouden met het blanco strafblad van verdachte. Voor het overige is met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van verdachte niets gebleken of naar voren gebracht.
De rechtbank merkt nog op dat zij met het uitspreken van de hiervoor genoemde onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden, er wel van uit is gegaan dat bij de executie van die straf ook de tijd die verdachte in de overleveringsdetentie heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht.
De tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van Pro de Penitentiaire beginselenwet.

7.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op artikel 279 van Pro het Wetboek van Strafrecht, zoals dit artikel luidde ten tijde van het bewezenverklaarde.

8.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
onttrekking van een minderjarige aan het wettig gezag;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 6 maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Voorlopige hechtenis

- heft het bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van de dag dat het voorarrest gelijk is aan de opgelegde onvoorwaardelijke straf.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. van de Wetering, voorzitter, mr. S.W.M. Speekenbrink en mr. J.S. Dobosz, rechters, in tegenwoordigheid van F.J.M. Nouws, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 16 november 2023.
Mr. J.S. Dobosz is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.