Belanghebbende voerde beroep tegen navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over de jaren 2011 tot en met 2015. De rechtbank oordeelde dat de navorderingsaanslag over 2011 te hoog was vastgesteld en daarom verminderd moest worden. Voor de jaren 2012 tot en met 2015 oordeelde de rechtbank dat de inspecteur terecht navorderingsaanslagen had opgelegd op basis van een redelijke schatting van het meer genoten inkomen, mede vanwege omkering en verzwaring van de bewijslast doordat belanghebbende niet de vereiste aangifte had gedaan.
De rechtbank stelde vast dat de administratie van belanghebbende en zijn vennootschap gebrekkig was, waardoor de inspecteur een redelijke schatting kon maken van de niet opgegeven omzet, onder meer aan de hand van gegevens zoals hondenpaspoorten, microchips en derdenonderzoek. Belanghebbende leverde geen overtuigend tegenbewijs. Verder wees de rechtbank het beroep af dat de inspecteur vooringenomen was of het verdedigingsbeginsel was geschonden.
De rechtbank oordeelde dat de correcties van de inspecteur, waaronder omzetcorrecties, kostencorrecties en toerekening van uitdelingen aan belanghebbende als aandeelhouder, niet willekeurig of onredelijk waren. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat eerdere onderzoeken geen impliciete goedkeuring van de administratie voor latere jaren betekenden. De rechtbank veroordeelde de inspecteur tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan belanghebbende wegens gedeeltelijk gegrond beroep over 2011.