ECLI:NL:HR:2021:1086
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt omkering en verzwaring bewijslast bij niet-vereiste aangifte en redelijke schatting brutowinst
Belanghebbende bracht zijn onderneming in 2009 in een vennootschap onder firma (VOF) die sieraden verkocht en bewerkte. Na een strafrechtelijk onderzoek en boekenonderzoek stelde de Inspecteur navorderingsaanslagen en boetebeschikkingen op voor de jaren 2006-2011.
Het geschil betrof de vraag of de Inspecteur terecht de bewijslast heeft omgekeerd en verzwaard wegens het niet doen van de vereiste aangifte, en of de door hem gehanteerde schatting van de winst en omzet redelijk was. Het Hof oordeelde dat de administratie van de VOF ernstige tekortkomingen vertoonde en niet als grondslag kon dienen. De Inspecteur mocht daarom een gemotiveerde schatting maken, waarbij hij uitging van een brutowinstpercentage van 100% op de inkopen.
De Hoge Raad bevestigde dat omkering en verzwaring van de bewijslast alleen kan plaatsvinden indien de Inspecteur aannemelijk maakt dat de vereiste aangifte niet is gedaan, ook zonder informatiebeschikking. De Inspecteur kan volstaan met een gemotiveerde schatting, waarna de belastingplichtige moet aantonen waarom de winst of omzet lager is. De Hoge Raad verwierp de middelen van belanghebbende en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van het hof bevestigd.