Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Inleiding
2.Feiten
3.Beoordeling door de rechtbank
4.Conclusie en gevolgen
5.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, een kapitaalvennootschap opgericht naar Belize recht, kreeg naheffingsaanslagen omzetbelasting en vergrijpboeten opgelegd voor de jaren 2014 tot en met 2016. De inspecteur stelde dat belanghebbende in Nederland was gevestigd omdat de feitelijk bestuurder en aandeelhouder, de heer [naam 1], in Nederland woonde en de diensten vanuit zijn woonadres verrichtte.
De rechtbank oordeelde dat de naheffingsaanslagen terecht waren opgelegd en dat de hoogte daarvan niet te hoog was vastgesteld, mede op basis van bankafschriften en facturen. De vergrijpboeten werden echter vernietigd omdat deze waren opgelegd op hetzelfde feitencomplex als de boetes aan de heer [naam 1], wat tot dubbele bestraffing zou leiden.
Belanghebbende vroeg ook een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, welke de rechtbank toekende gezien de samenhang met andere procedures en de overschrijding van de termijn van twee jaar voor bezwaar- en beroepsfase.
De rechtbank verklaarde de beroepen gegrond voor zover zij betrekking hadden op de boetebeschikkingen, vernietigde deze boetebeschikkingen en wees het griffierecht en proceskosten toe aan belanghebbende. De naheffingsaanslagen bleven in stand.
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch binnen zes weken na verzending.
Uitkomst: De naheffingsaanslagen omzetbelasting worden bevestigd, maar de vergrijpboeten worden vernietigd wegens samenloop.