Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van zijn woning en de daarbij behorende aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) van de gemeente Waalwijk. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde vast op €285.000 per 1 januari 2019 en deed uitspraak op bezwaar na een informatiebeschikking. Belanghebbende stelde dat de uitspraak op bezwaar te laat was en vorderde een dwangsom en een lagere WOZ-waarde.
De rechtbank oordeelt dat de uitspraak op bezwaar tijdig is gedaan, mede door verlengingstermijnen en de informatiebeschikking, waardoor het beroep tegen niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk is. De rechtbank beoordeelt inhoudelijk dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld, mede omdat belanghebbende de verzwaarde bewijslast niet heeft vervuld. Het ingediende taxatierapport ontbeert voldoende bewijs door het ontbreken van fotomateriaal en onderbouwing van verschillen met referentiewoningen.
Wel kent de rechtbank belanghebbende een immateriële schadevergoeding toe van €150 wegens overschrijding van de redelijke termijn van 28 maanden met circa 18 maanden. Deze vergoeding en de proceskosten worden gelijkelijk verdeeld over de heffingsambtenaar en de Staat der Nederlanden. De aanslag OZB volgt het oordeel over de WOZ-waarde en blijft gehandhaafd.