ECLI:NL:RVS:2002:AE2039
Raad van State
- Hoger beroep
- P.J. Boukema
- J.A.M. van Angeren
- A.W.M. Bijloos
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen niet tijdig nemen van besluit op aanvraag ontheffing woonwagenwet
Appellanten, burgemeester en wethouders van Eijsden, stelden beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit door Gedeputeerde Staten op hun beroepschrift tegen een aanvraag om ontheffing van het woonwagenverbod. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang, maar achtte het beroep mede gericht tegen het besluit op de aanvraag gegrond en vernietigde het besluit van Gedeputeerde Staten.
Appellanten voerden aan dat de beslistermijn van 12 weken op grond van de Woonwagenwet nog niet was verstreken toen het beroep werd ingesteld, zodat het beroep prematuur was en niet-ontvankelijk verklaard diende te worden. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verwierp dit standpunt, omdat artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat het bezwaar of beroep mede gericht wordt geacht tegen het besluit op de aanvraag, ook als de beslistermijn nog niet verstreken is.
De Afdeling benadrukte dat deze bepaling de rechtsbescherming versterkt en dat noch de tekst noch de geschiedenis van de bepaling steun biedt voor het standpunt dat toepassing pas volgt nadat de beslistermijn is verstreken. De rechtbank had derhalve terecht geoordeeld dat het beroep mede gericht was tegen het besluit op de aanvraag. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.