Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 november 2023 in de zaak tussen
[eiser] te [plaats] , eiser,
,verweerder.
Inleiding
Overwegingen van de rechtbank
Feiten waar de rechtbank van uitgaat
Grondslag bestreden besluit
Beroepsgronden
Wet- en regelgeving
Beoordeling door de rechtbank
Conclusie en gevolgen
€ 556,75. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden. Ook veroordeelt de rechtbank het college in de door eiser gemaakte proceskosten. De proceskosten worden berekend volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het college wordt veroordeeld om de kosten van rechtsbijstand te vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 2.868,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting, met een waarde per punt van € 597,-, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- voor zover daarbij de boetehoogte is bepaald op € 655,-;
- bepaalt dat de boetehoogte wordt gematigd naar € 556,75;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 50,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.868,-.