ECLI:NL:RBZWB:2023:8741

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
15 december 2023
Publicatiedatum
14 december 2023
Zaaknummer
22/5308
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Naheffingsaanslag BPM terecht opgelegd ondanks geschil over waardevermindering schade en schadeverleden

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag BPM van €7.627 die de inspecteur had opgelegd naar aanleiding van de registratie van een Mazda CX-5. De kern van het geschil betrof de geldigheid van het taxatierapport en de vraag of waardevermindering wegens schade en schadeverleden in aanmerking genomen moest worden.

De inspecteur baseerde zijn aanslag op een hertaxatie waarbij geen waardevermindering wegens schade werd erkend, omdat de auto op het moment van inschrijving in het kentekenregister volledig hersteld was. De rechtbank oordeelde dat het belastbare feit de inschrijving is en dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de auto toen nog schade had.

Verder stelde belanghebbende dat een waardevermindering wegens schadeverleden moest worden toegepast, ondersteund door een NIVRE-richtlijn. De rechtbank vond deze onderbouwing onvoldoende concreet en nam geen waardevermindering wegens schadeverleden aan.

De rechtbank verwierp ook het beroep op de herleidingsmethode en concludeerde dat de naheffingsaanslag terecht en niet te hoog was opgelegd. Het beroep werd ongegrond verklaard, en belanghebbende kreeg geen griffierecht of proceskosten vergoed.

Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 22/5308

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 december 2023 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 18 oktober 2022.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd voor een bedrag van € 7.627.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag in stand gelaten.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 3 november 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] namens de inspecteur.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd en niet te hoog is. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. Meer specifiek is in geschil of het taxatierapport van belanghebbende geldig is en of een waardevermindering wegens schade en wegens een schadeverleden in aanmerking genomen dient te worden. Verder is in geschil of belanghebbende een beroep kan doen op de herleidingsmethode.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag terecht opgelegd en niet te hoog. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

3. Belanghebbende heeft op 30 december 2020 aangifte gedaan ter zake van de registratie van een Mazda CX-5 met [VIN-nummer] (de auto) naar een te betalen bedrag aan Bpm van € 619.
3.1.
Bij de aangifte is een taxatierapport gevoegd van [bedrijf] van 9 oktober 2020. Daarin is een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat opgenomen van € 28.766. De taxateur heeft een bedrag van in totaal € 26.720 op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht. De handelsinkoopwaarde in beschadigde staat is vastgesteld op € 2.046.
3.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). De bevindingen zijn opgenomen in een taxatierapport van 11 januari 2021. De hertaxateur heeft de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat vastgesteld aan de hand van een koerslijst van AutotelexPro op € 33.201. De hertaxateur heeft geen aanleiding gezien om een waardevermindering wegens schade in aanmerking te nemen.
3.3.
De inspecteur heeft op basis van de hem ter beschikking staande gegevens het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm moet worden vastgesteld op € 8.246. Daarbij is de inspecteur in het voordeel van belanghebbende uitgegaan van een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 28.337 op basis van een koerslijst van Eurotaxglass’s. Met dagtekening 3 december 2021 is aan belanghebbende voor de onderhavige auto een naheffingsaanslag opgelegd van € 7.627.

Motivering

4. Belanghebbende heeft zich ter zitting nader op het standpunt gesteld dat de waardevermindering wegens schade in zijn taxatierapport abusievelijk onjuist is toegepast en bepleit daarom een waardevermindering wegens schade van 90% van € 21.542 in plaats van € 26.720.
Waardevermindering wegens schade
4.1.
Belanghebbende stelt dat de inspecteur ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de schade die in zijn taxatierapport is opgenomen. De inspecteur stelt dat de auto op het moment van de aangifte volledig was hersteld zodat moet worden uitgegaan van de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat zoals door DRZ is vastgesteld.
4.2.
De rechtbank oordeelt dat de inschrijving in het Nederlands kentekenregister het belastbare feit is waarvoor de inspecteur heeft nageheven. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de auto op dat moment nog schade had. De inspecteur hoefde bij het opleggen van de naheffingsaanslag daarom geen rekening te houden met een bedrag aan schade. De stelling van belanghebbende dat zijn taxatierapport vier maanden geldig is doet hier niet aan af. Het belastbare feit is de inschrijving in het Nederlands kentekenregister en het gaat om de status van de auto op dat moment. Daar is met de verlenging van de geldigheid van het taxatierapport, voor zover die verlenging in het onderhavige geval nog van toepassing zou zijn, geen verandering in gekomen.
Schadeverleden
4.3.
Belanghebbende stelt zich verder op het standpunt dat rekening gehouden moet worden met een waardevermindering wegens het schadeverleden van de auto. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft hij een rapport “richtlijn waardevermindering personenauto’s motorvoertuigen” van NIVRE overgelegd. De inspecteur stelt daar tegenover dat belanghebbende de waardevermindering wegens het schadeverleden niet aannemelijk heeft gemaakt.
4.4.
De rechtbank stelt voorop dat onder omstandigheden het schadeverleden van een auto een waardevermindering van de auto kan rechtvaardigen. Een voertuig met een schadeverleden kan, ook na herstel, minder waard zijn dan een voertuig zonder schadeverleden. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat een schadeverleden bij een latere verkoop zal moeten worden gemeld aan een potentiële koper. Bij de vaststelling van een waardevermindering door een schadeverleden dient de normale gebruiksschade in verband met leeftijd en kilometerstand buiten beschouwing te worden gelaten.
4.5.
De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is dat de auto een schadeverleden heeft. Op de door belanghebbende overgelegde foto’s is te zien dat de auto aan de voorzijde beschadigd is geweest. Belanghebbende heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat daarvoor een bedrag als waardevermindering in aanmerking moet worden genomen. Zij heeft de door haar genoemde bedragen niet onderbouwd. Verder acht de rechtbank de NIVRE-richtlijn te algemeen en bovendien is onduidelijk op welke onderliggende gegevens de forfaits en formules zijn gebaseerd. De rechtbank neemt derhalve geen waardevermindering in aanmerking wegens het schadeverleden.
Herleidingsmethode
4.6.
De beroepsgronden van belanghebbende met betrekking tot de zogenoemde herleidingsmethode slagen niet. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 14 april 2022. [1]
Hoogte naheffingsaanslag
4.7.
Gelet op het hetgeen hiervoor is overwogen is de naheffingsaanslag terecht en naar het juiste bedrag aan belanghebbende opgelegd.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de uitspraak op bezwaar in stand blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.M. de Fouw, griffier, op 15 december 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.