ECLI:NL:RBZWB:2023:8868

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 december 2023
Publicatiedatum
19 december 2023
Zaaknummer
BRE-22_5637
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 1 Besluit proceskosten bestuursrechtECLI:NL:HR:2014:878ECLI:NL:HR:2019:1579
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond wegens niet-ontvankelijkheid bezwaar na nihilaangifte belasting personenauto’s en motorrijwielen

Belanghebbende diende een nihilaangifte in voor de belasting van personenauto’s en motorrijwielen over juni 2022 en maakte bezwaar tegen deze eigen aangifte. De inspecteur verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat het bezwaar belanghebbende niet in een betere positie kan brengen. De rechtbank bevestigt dit oordeel en stelt dat het bezwaar kennelijk ongegrond is, waardoor zij uitspraak doet zonder zitting.

De rechtbank verwijst naar een arrest van de Hoge Raad uit 2014 waarin is bepaald dat een bezwaar niet-ontvankelijk moet worden verklaard als de indiener geen belang heeft, dat wil zeggen dat het rechtsmiddel hem niet in een betere positie kan brengen ten aanzien van het bestreden besluit. Omdat belanghebbende een nihil-aangifte heeft gedaan, valt er niets te verminderen en is het bezwaar zinloos.

Verder oordeelt de rechtbank dat er geen hoorplicht bestond omdat het bezwaar niet-ontvankelijk was, ook niet op grond van Unierecht. De klacht van belanghebbende over het hoorrecht wordt daarom afgewezen. Ook het betoog dat het vooraf heffen van griffierecht in strijd zou zijn met Unierecht wordt verworpen.

De inspecteur verzocht een proceskostenvergoeding wegens vermeend misbruik van procesrecht, maar de rechtbank wijst dit af omdat de gevraagde kosten niet vallen onder vergoeding van beroepsmatige rechtsbijstand. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat het bezwaar niet-ontvankelijk is wegens gebrek aan belang.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 22/5637

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2023 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en

de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 17 november 2022, betreffende de op aangifte voldane belasting van personenauto’s en motorrijwielen over de maand juni 2022 met [aangiftenummer] .
1.1.
Omdat het beroep kennelijk ongegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Belanghebbende heeft een nihilaangifte ingediend over het tijdvak juni 2022. Vervolgens heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de eigen aangifte. De inspecteur heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
3. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur het bezwaar van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur het bezwaar van belanghebbende terecht niet-ontvankelijk verklaard. Belanghebbende heeft namelijk geen belang bij zijn bezwaar, omdat dit bezwaar hem niet in een betere positie kan brengen.
4.1.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 11 april 2014 [1] , voor zover hier van belang, geoordeeld dat een bezwaar, beroep of (incidenteel) hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard als de indiener van dat rechtsmiddel geen belang daarbij heeft. Daarvan is sprake als het aanwenden van het rechtsmiddel, ongeacht de gronden waarop het steunt, hem niet in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit en eventuele bijkomende (rechterlijke) beslissingen zoals die met betrekking tot proceskosten en griffierecht.
5. Belanghebbende heeft een nihilaangifte ingediend. Het bezwaar kan belanghebbende dus niet in een betere positie brengen, er valt immers niets te verminderen.
6. De inspecteur heeft het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Gelet op dat wat in onderdeel 4. is overwogen, was het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk. Om die reden was er geen plicht om op grond van de nationale wet een hoorgesprek te houden. Die verplichting is er ook niet op basis van het Unierecht. De klacht van belanghebbende over het hoorrecht slaagt dus niet. Het beroep is kennelijk ongegrond.
Vooraf heffen van griffierecht
7. Belanghebbende stelt dat het op voorhand heffen van griffierecht in strijd is met het Unierecht. Deze stelling vindt geen steun in het recht. Voor zover belanghebbende betoogt dat de hoogte van het griffierecht in strijd is met het Unierecht, volgt de rechtbank belanghebbende daarin ook niet. [2]
Proceskostenvergoeding
8. De inspecteur heeft verzocht belanghebbende te veroordelen in de proceskosten van de inspecteur vanwege misbruik van het procesrecht. De inspecteur heeft daarbij verzocht 1 punt voor het indienen van een verweerschrift toe te kennen, met een gewicht van 1, zijnde € 837,-.
8.1.
De inspecteur verzoek om vergoeding van kosten voor een door hem verrichte proceshandeling in de zin van artikel 1, aanhef en letter a, Besluit proceskosten bestuursrecht en de bij het Besluit behorende bijlage. De rechtbank stelt voorop dat de kosten die gepaard gaan met de door de inspecteur genoemde proceshandelingen uitsluitend voor vergoeding in aanmerking komen voor zover dit de kosten van ‘door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand’ betreffen. Daaronder vallen niet de werkzaamheden die plaatsvinden in het kader van de dienstbetrekking van de ambtenaren. Het verzoek van de inspecteur wordt dan ook afgewezen. Of sprake is van misbruik van het procesrecht behoeft daarmee geen verdere behandeling.
9. Voor een proceskostenveroordeling van de inspecteur bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van P. van der Hoeven, griffier, op 22 december 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.ECLI:NL:HR:2014:878, r.o. 3.4.2.
2.Hoge Raad, 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579.