Belanghebbende maakte bezwaar tegen het opleggen van twee aanslagen voor het jaar 2022 door de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking West-Brabant. De aanslagen betroffen de onroerendezaakbelasting eigenaar woning (OZBE) en watersysteemheffing. Belanghebbende stelde dat het opleggen van twee aanslagen binnen één kalenderjaar niet is toegestaan en dat eerst een voorlopige aanslag had moeten worden opgelegd.
De rechtbank stelde vast dat de WOZ-waarde van de woning niet in geschil was en richtte zich op de vraag of de heffingsambtenaar bevoegd was om twee aanslagen op te leggen. De rechtbank verwees naar de Gemeentewet en Waterschapswet, die de heffingsambtenaar bevoegdheid geven om aanslagen van verschillende belastingen op één aanslagbiljet te verenigen, maar niet verplichten dit te doen.
De rechtbank concludeerde dat het feit dat de heffingsambtenaar niet alle aanslagen op één biljet heeft verenigd, niet leidt tot vernietiging van de aanslagen. Ook was er geen wettelijke grondslag voor het standpunt dat eerst een voorlopige aanslag moest worden opgelegd. Het beroep op het vertrouwensbeginsel en een zorgplicht van de heffingsambtenaar werden eveneens verworpen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het griffierecht af. De uitspraak werd gedaan door rechter M.E. de Boer op 19 december 2023 en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.