Belanghebbende, woonachtig in Nieuw-Zeeland, was voor het jaar 2019 verplicht aangifte inkomstenbelasting te doen in Nederland. De inspecteur legde een aanslag op met een belastbaar inkomen van €42.825 en bracht daarbij €182 aan belastingrente in rekening. Belanghebbende stelde dat geen of minder belastingrente verschuldigd was vanwege onzorgvuldigheden van de inspecteur en het niet opleggen van een voorlopige aanslag.
De rechtbank oordeelt dat de belastingrente correct is berekend op basis van de wettelijke bepalingen van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Hoewel de inspecteur onzorgvuldig was door correspondentie naar het buitenlandse adres te sturen in plaats van naar de gemachtigde in Nederland, leidt dit niet tot matiging van de rente omdat belanghebbende tijdig reageerde op de uitnodiging tot aangifte.
De rechtbank wijst ook het argument af dat de in de uitnodigingsbrief genoemde datum voor het indienen van de aangifte zonder rente leidend zou zijn. Daarnaast is het achterwege blijven van een voorlopige aanslag geen reden voor matiging, omdat de aanslag op basis van de onjuiste aangifte toch tot belastingrente leidt. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanslag inclusief belastingrente blijft in stand.