Verzoekers zijn bewoners van een woning waar bij een politieonderzoek 6,3 gram cocaïne werd aangetroffen, wat een handelshoeveelheid betreft. De burgemeester besloot de woning te sluiten voor drie maanden op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Verzoekers maakten bezwaar tegen deze sluiting en vroegen om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter beoordeelde of de burgemeester in redelijkheid tot sluiting kon besluiten.
Hoewel de aanwezigheid van een handelshoeveelheid cocaïne niet werd betwist, bleek uit het dossier niet dat de woning daadwerkelijk werd gebruikt voor handel of dat er sprake was van een 'loop' naar het pand. De burgemeester kon onvoldoende aantonen dat de woning in een kwetsbare wijk lag of dat er sprake was van drugsoverlast in de buurt. De voorzieningenrechter oordeelde dat de sluiting een zeer ingrijpende maatregel is met grote gevolgen voor het gezin, en dat een minder ingrijpende maatregel, zoals een waarschuwing of last onder dwangsom, passend zou zijn.
De voorzieningenrechter verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en schorste het primaire besluit tot zes weken na het nieuwe besluit op bezwaar. Tevens werd de burgemeester veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. De burgemeester moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak.