ECLI:NL:RBZWB:2023:9286

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
7 december 2023
Publicatiedatum
3 januari 2024
Zaaknummer
AWB- 23_10542 VV en 23_10540
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • S. Hindriks
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:86 AwbArt. 4:84 AwbArt. 5:32 AwbArt. 2 OpiumwetArt. 13b Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen woningsluiting op grond van de Opiumwet wegens aantreffen handelshoeveelheid cocaïne

Verzoekers zijn bewoners van een woning waar bij een politieonderzoek 6,3 gram cocaïne werd aangetroffen, wat een handelshoeveelheid betreft. De burgemeester besloot de woning te sluiten voor drie maanden op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Verzoekers maakten bezwaar tegen deze sluiting en vroegen om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter beoordeelde of de burgemeester in redelijkheid tot sluiting kon besluiten.

Hoewel de aanwezigheid van een handelshoeveelheid cocaïne niet werd betwist, bleek uit het dossier niet dat de woning daadwerkelijk werd gebruikt voor handel of dat er sprake was van een 'loop' naar het pand. De burgemeester kon onvoldoende aantonen dat de woning in een kwetsbare wijk lag of dat er sprake was van drugsoverlast in de buurt. De voorzieningenrechter oordeelde dat de sluiting een zeer ingrijpende maatregel is met grote gevolgen voor het gezin, en dat een minder ingrijpende maatregel, zoals een waarschuwing of last onder dwangsom, passend zou zijn.

De voorzieningenrechter verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en schorste het primaire besluit tot zes weken na het nieuwe besluit op bezwaar. Tevens werd de burgemeester veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. De burgemeester moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Uitkomst: Het besluit tot woningsluiting wordt vernietigd en geschorst in afwachting van een nieuw besluit, vanwege schending van het evenredigheidsbeginsel.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 23/10542 VV en BRE 23/10540
uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 december 2023 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[naam verzoeker 1] , [naam verzoeker 2] en [naam verzoeker 3], uit [woonplaats] , verzoekers
(gemachtigde: mr. M. Broere),
en

de burgemeester van de gemeente Oosterhout , verweerder.

Als derde-partij neemt aan de zaken deel: [naam derde-partij] uit [woonplaats] .

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers tegen de aangezegde woningsluiting op grond van de Opiumwet voor de duur van drie maanden. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van verzoekers daartegen. Artikel 8:86 van Pro de Awb [1] maakt dat mogelijk.
1.1.
Met het bestreden besluit van 6 oktober 2023 op het bezwaar van verzoekers is de burgemeester bij dat besluit gebleven.
1.2.
De burgemeester heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. [naam derde-partij] heeft ook schriftelijk gereageerd.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 27 november 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekers, de gemachtigde van verzoekers en namens de burgemeester: [naam vertegenwoordiger 1] en [naam vertegenwoordiger 2] . [naam derde-partij] heeft zich afgemeld voor de zitting.

Totstandkoming van het besluit

2. Verzoekers wonen met hun gezin in de woning aan de [adres] te [woonplaats] . Zij huren deze woning van [naam derde-partij] . Op het adres waren ook de zoons/broers [naam zoon/broer 1] en [naam zoon/broer 2] ingeschreven.
3. Aanleiding voor het bestreden besluit is dat bij een doorzoeking van de woning in het toilet, gelegen in de badkamer op de eerste verdieping, witte brokken zijn aangetroffen die indicatief positief zijn getest op cocaïne. De witte brokken hadden een gewicht van 6,3 gram. Dit blijkt uit de bestuurlijke rapportage van de politie van 18 november 2022. Niet in geschil is dat de zoons/broers bij de aanwezigheid van deze middelen betrokken waren.
4. Met het besluit van 9 maart 2023 heeft de burgemeester verzoekers gelast om hun woning aan de [adres] te [woonplaats] binnen twee weken te sluiten en afgesloten te houden voor een periode van drie maanden. De burgemeester heeft daarbij vermeld dat de woning op 24 maart 2023 onder toepassing van bestuursdwang zal worden gesloten.
5. Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van 9 maart 2023.
Een hangende bezwaar ingediend verzoek om voorlopige voorziening is door de voorzieningenrechter van deze rechtbank met de uitspraak van 25 april 2023 toegewezen (zaaknummer BRE 23/1944 OPIUMW VV). Het besluit van 9 maart 2023 is daarbij geschorst tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
6. De burgemeester heeft met het bestreden besluit na heroverweging het besluit van 9 maart 2023 in stand gelaten. De burgemeester heeft daarbij opgemerkt dat de woning op 30 oktober 2023 zal worden gesloten voor de duur van drie maanden.
7. Naar aanleiding van het ingediende verzoek om voorlopige voorziening heeft de burgemeester toegezegd dat de woning niet wordt gesloten voordat de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan op het verzoek.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

8. De voorzieningenrechter beoordeelt of de burgemeester in redelijkheid heeft kunnen besluiten om tot woningsluiting over te gaan. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van verzoekers.
9. De voor de beoordeling van beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Beroepsgronden
10. Verzoekers hebben aangevoerd dat de burgemeester het bestreden besluit ten onrechte in stand heeft gelaten, en daarbij ten onrechte een deel van het advies van de bezwaarschriftencommissie in de wind heeft geslagen. Verzoekers stellen zich op het standpunt dat de burgemeester onvoldoende rekening heeft gehouden met de huisvestingsperikelen en met het tijdsverloop sinds de vermeende overtreding van de Opiumwet op 17 november 2022. Verzoekers zien de noodzaak voor de woningsluiting niet. Verzoekers stellen dat zij beide zonen hebben uitgeschreven en uit huis hebben gezet. Signalen voor enige toeloop naar hun woning zijn volgens verzoekers niet aanwezig. Volgens verzoekers zijn er daarentegen zwaarwegende persoonlijke belangen dat de woning niet wordt gesloten. Zij wijzen erop dat zij, als hun woning wordt gesloten, op straat komen te staan met hun minderjarige dochter. Ook de meerderjarige [naam verzoeker 3] wordt door het bestreden besluit hard getroffen. De gevolgen van de woningsluiting zijn volgens verzoekers onevenredig met het doel van de woningsluiting. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter daarom verzocht het bestreden besluit te schorsen in afwachting van een besluit in de bodemprocedure.
Het beleid
11. De burgemeester heeft invulling gegeven aan de bevoegdheid die hem op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet toekomt, in de ‘Beleidsregels op grond van artikel 13b Opiumwet’ (het beleid).
12. De vondst van de harddrugs en de vastgestelde hoeveelheid worden door verzoekers niet betwist. Ook wordt niet bestreden dat de hoeveelheid zodanig is dat moet worden gesproken van een handelshoeveelheid in de zin van het beleid. Dat leidt ertoe dat de burgemeester in beginsel bevoegd moet worden geacht om toepassing te geven aan artikel 13b van de Opiumwet.
De burgemeester heeft conform zijn beleid gehandeld door de woning van verzoekers na de eerste constatering, zonder waarschuwing, voor een periode van drie maanden te sluiten.
13. Artikel 4:84 van Pro de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.
De burgemeester dient alle omstandigheden van het geval te betrekken in zijn beoordeling en te bezien of deze op zichzelf dan wel tezamen met andere omstandigheden, moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van Pro de Awb [2] .
Evenredigheid
14. Aan de voorzieningenrechter ligt ter beoordeling voor of de burgemeester in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om tot sluiting van de woning over te gaan. Zij neemt daarbij de algemene maatstaf voor (de intensiteit van) toetsing aan het evenredigheidsbeginsel, zoals weergegeven in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 2 februari 2022 [3] , in acht en beoordeelt de geschiktheid, de noodzakelijkheid en de evenwichtigheid van de maatregel.
15. De voorzieningenrechter twijfelt niet aan de geschiktheid van de maatregel.
16. De burgemeester heeft de voorzieningenrechter er echter niet van kunnen overtuigen dat er (nog) een noodzaak bestaat voor sluiting van de woning.
De voorzieningenrechter heeft in de eerdere uitspraak van 25 april 2023 overwogen dat zij de noodzaak voor de woningsluiting inziet. De burgemeester heeft vervolgens in het bestreden besluit zich op het standpunt gesteld dat de noodzaak voor het sluiten van de woning niet opnieuw hoeft te worden aangetoond. De burgemeester heeft zich in dat verband beroepen op de uitspraak van de AbRS van 18 april 2018 [4] waaruit volgens de burgemeester volgt dat de noodzaak pas weer moet worden aangetoond als meer dan een jaar is verstreken sinds de sluitingsdatum volgens het eerste bestuursdwangbesluit. Die periode is in dit geval nog niet verstreken, dus de noodzaak hoeft inderdaad niet opnieuw te worden aangetoond. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat dat niet betekent dat de burgemeester in het kader van de volledige heroverweging in zijn belangenafweging niet moet meewegen of de noodzaak voor sluiting nog steeds bestaat.
Bij de beoordeling van de noodzaak van een sluiting is de vraag aan de orde of de burgemeester ook met een minder ingrijpend middel had kunnen en moeten volstaan omdat het beoogde doel ook daarmee kan worden bereikt. In de uitspraak van de AbRS van 28 augustus 2019 [5] is ingegaan op de beoordeling van de noodzaak van een sluiting. Aan de hand van de ernst en de omvang van de overtreding dient te worden beoordeeld in hoeverre sluiting van een woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde. In de uitspraak is een aantal omstandigheden genoemd waarin de noodzaak tot sluiting over te gaan groter is, bijvoorbeeld de aanwezigheid van een handelshoeveelheid harddrugs, een recidivesituatie of de ligging van de woning in een voor drugscriminaliteit kwetsbare woonwijk. Voor de beoordeling van de ernst en de omvang van de overtreding is mede van belang of de aangetroffen drugs feitelijk in of vanuit de woning werden verhandeld. Uitgangspunt is dat als in een woning een handelshoeveelheid drugs wordt aangetroffen, aangenomen mag worden dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel, ook als ter plaatse geen overlast of feitelijke drugshandel is geconstateerd. Met een sluiting wordt de bekendheid van een pand als drugspand weggenomen en wordt de ‘loop’ naar het pand eruit gehaald, waarmee het pand aan het drugscircuit wordt onttrokken. Als blijkt dat de aangetroffen drugs niet in of vanuit de woning werden verhandeld, kan echter in mindere mate sprake zijn van een ‘loop’ naar de woning, wat de noodzaak om te sluiten gelet op het beoogde herstelkarakter van de maatregel minder groot kan maken.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat, zoals de AbRS heeft overwogen in de uitspraak van 28 augustus 2019, de aanwezigheid van een handelshoeveelheid harddrugs in een woning in ieder geval als een ernstig geval kan worden aangemerkt. In dit geval moet worden vastgesteld dat in de woning van verzoekers een geringe handelshoeveelheid harddrugs (6,3 gram cocaïne) is aangetroffen.
Uit de stukken kan echter niet worden afgeleid dat de woning een rol heeft gespeeld in de drugshandel. Er zijn geen attributen aangetroffen die zouden kunnen wijzen op handel in of vanuit de woning. De enige relatie tussen de woning van verzoekers en de overtreding van de Opiumwet is kennelijk de vindplaats van de cocaïne. Hoewel het gaat om een handelshoeveelheid harddrugs en op basis van de stukken ook mag worden aangenomen dat de harddrugs voor verkoop of verstrekking bestemd waren, is van daadwerkelijke handel in of vanuit de woning of een loop naar de woning niet gebleken. Uit de stellingen van de burgemeester lijkt juist het tegendeel te blijken, nu hij heeft aangevoerd dat de zoon(s) van verzoekers drugs zou(den) verkopen terwijl zij/hij met scooters door de stad rijdt/rijden.
Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat er sprake is van een ernstig geval als bedoeld in de hiervoor aangehaalde uitspraak van de AbRS van 28 augustus 2019, maar dat de omvang van de overtreding als gering kan worden beschouwd.
De burgemeester heeft in het bestreden besluit toegelicht dat de woning in een voor drugscriminaliteit kwetsbare woonwijk staat (de [naam wijk] ). Ter onderbouwing heeft de burgemeester in het verweerschrift verwezen naar een onderzoek uit 2019: de Monitor Leefbaarheid en Veiligheid. Deze monitor is een onderdeel van de Buurtenquête en geeft een beeld van hoe bewoners tegen de leefbaarheid en veiligheid in hun eigen woonbuurt aankijken. De voorzieningenrechter stelt evenwel vast dat in de monitor geen onderbouwing is te vinden van het standpunt van de burgemeester dat de [naam wijk] een voor drugscriminaliteit kwetsbare buurt is. In de monitor valt te lezen (paragraaf 5.1) dat het onveiligheidsgevoel in de gemeente is afgenomen, maar dat het merendeel van de Oosterhouters zich veilig voelt in de eigen woonomgeving (paragraaf 5.2). Om het gevoel van veiligheid concreter te maken, is gebruik gemaakt van een tweetal indicatoren: vermogensdelicten (diefstal en vandalisme) en bedreiging. Toegelicht is (p. 39) dat de indicator ‘bedreiging’ is samengesteld aan de hand van het oordeel van de bewoners over de mate waarin de volgende bedreigende situaties voorkomen in hun woonbuurt: dronken mensen op straat, bedreigd worden met geweld, lastig worden gevallen op straat, drugsoverlast en zakkenrollerij. De score kan liggen tussen minimaal 10 en maximaal 100 punten. Hoe hoger de score, hoe slechter het oordeel. Voor de [naam wijk] (genummerd 0500) is op het kaartje een score van 35 aangegeven, 5 punten lager dan de score van 40 in 2017. Dat er in de omgeving van de [straatnaam 3] in de afgelopen jaren (vanaf 2019) 7 woningen zouden zijn gesloten in verband met drugs, zoals de burgemeester heeft gesteld, is niet met stukken onderbouwd.
Het standpunt van de burgemeester, dat de woning in een voor drugscriminaliteit kwetsbare woonwijk staat, is dus onvoldoende gemotiveerd. Evenmin heeft de burgemeester een onderbouwing gegeven van zijn stelling dat er diverse MMA [6] -meldingen zijn gedaan waaruit blijkt dat er sprake was van drugsoverlast in de buurt. De burgemeester heeft deze MMA-meldingen niet overgelegd. Ook is ter zitting door de burgemeester verklaard dat in deze meldingen geen link wordt gelegd met de woning, maar dat daarin in relatie tot drugshandel de namen van de zoons/broers en het gebruiken van scooters worden vermeld.
17. Duidelijk is dat de sluiting van de woning van verzoekers zeer ingrijpende gevolgen heeft voor het gezin. Evenals de voorzieningenrechter in de vorige uitspraak van 25 april 2023 gaat de voorzieningenrechter er in deze uitspraak ook niet van uit dat er bij verzoekers geen enkele wetenschap was van de aanwezigheid van de harddrugs in de woning of dat verwijtbaarheid volledig ontbreekt. De voorzieningenrechter gaat er echter ook nu van uit dat de minderjarige dochter [naam dochter] in elk geval geen enkel verwijt kan worden gemaakt.
Het is met name in haar belang dat de voorzieningenrechter tot de conclusie komt dat de burgemeester in dit geval, gelet op alle omstandigheden in onderlinge samenhang beoordeeld, had moeten volstaan met een voor het gezin minder ingrijpende maatregel.
Het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt.
Minder ingrijpende maatregel
18. Artikel 13b van de Opiumwet biedt de burgemeester de bevoegdheid om een last onder bestuursdwang op te leggen. In artikel 5:32 van Pro de Awb is bepaald dat een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom kan opleggen. Een last onder dwangsom zou in dit geval kunnen inhouden dat verzoekers wordt gelast om ervoor te zorgen dat een nieuwe of herhaalde overtreding van de Opiumwet in de woning [adres] te [woonplaats] zich niet voordoet, op straffe van een dwangsom. Verzoekers worden op die manier niet direct met ingrijpende gevolgen geconfronteerd, maar pas bij de constatering van een nieuwe of herhaalde overtreding.
De voorzieningenrechter ziet daarnaast de mogelijkheid om te volstaan met een waarschuwing.

Conclusie en gevolgen

19. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. De voorzieningenrechter acht woningsluiting onder de gegeven omstandigheden niet noodzakelijk. De voorzieningenrechter vernietigt daarom het bestreden besluit.
Dat betekent dat er opnieuw op het bezwaarschrift van verzoekers moet worden beslist. De voorzieningenrechter ziet geen ruimte om zelf in de zaak te voorzien omdat er niet slechts één uitkomst van die bezwarenprocedure mogelijk is. Het is aan de burgemeester om een nieuwe afweging te maken of hij een maatregel, anders dan een last onder bestuursdwang, op wil leggen. De voorzieningenrechter zal de burgemeester daarom opdragen een nieuw besluit op het bezwaarschrift te nemen, met inachtneming van deze uitspraak.
20. Omdat het beroep gegrond is en de burgemeester wordt opgedragen om een nieuw besluit te nemen, bestaat er aanleiding om in afwachting van dat nieuwe besluit een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het primaire besluit wordt geschorst. Deze voorziening vervalt zes weken na bekendmaking van de nieuw te nemen beslissing op bezwaar.
21. Omdat het beroep gegrond is moet de burgemeester het griffierecht aan verzoekers vergoeden en krijgen verzoekers ook een vergoeding van hun proceskosten.
De burgemeester moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt enerzijds € 2.511,- omdat de gemachtigde van verzoekers een beroepschrift heeft ingediend, een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Ook zal de voorzieningenrechter de burgemeester veroordelen in de reiskosten die verzoekers voor het bijwonen van de zitting hebben moeten maken. Deze kosten zijn door verzoekers ingeschat op een totaalbedrag van € 12,-. Omdat dit bedrag de voorzieningenrechter niet onredelijk voorkomt, zal zij de burgemeester opdragen om deze kosten te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt de burgemeester op om een nieuw besluit op het bezwaar van verzoekers te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
  • schorst het primaire besluit van 9 maart 2023 tot zes weken na de bekendmaking van het nieuwe besluit op bezwaar;
  • bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 184,- aan verzoekers moet vergoeden;
  • veroordeelt de burgemeester tot betaling van € 2.523,- aan proceskosten aan verzoekers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Hindriks, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, op 7 december 2023, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 8:86, lid 1:
Indien het verzoek wordt gedaan indien beroep bij de bestuursrechter is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan hij onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.
Opiumwet
Artikel 2:
Het is verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid:
binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen;
te telen te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren;
aanwezig te hebben;
te vervaardigen.
Artikel 13b, lid 1:
De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf:
een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is;
een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a voorhanden is.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht
2.zie uitspraak AbRS 26 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2840
6.Meld Misdaad Anoniem