Betrokkene is beboet voor het plaatsen van een bromfiets op een niet-toegestane wijze op de Spoorlaan te Tilburg op 7 september 2022. Betrokkene stelde dat de bromfiets ten tijde van de overtreding verhuurd was aan een derde en dat de boete onterecht aan hem als kentekenhouder was opgelegd. De gemachtigde voerde aan dat een huurovereenkomst van minder dan drie maanden bestond en dat op grond van jurisprudentie de laatste huurder als verantwoordelijke moest worden aangewezen.
De officier van justitie betwistte dit en stelde dat de boete niet ten tijde van de huur was opgelegd en dat de huurovereenkomst al was beëindigd toen de overtreding werd vastgesteld. De kantonrechter oordeelde dat uit de verklaring van de verbalisant en het dossier voldoende blijkt dat de overtreding heeft plaatsgevonden en dat de boete terecht aan betrokkene als kentekenhouder is opgelegd.
De uitzondering op de aansprakelijkheid van de kentekenhouder, namelijk dat het voertuig ten tijde van de overtreding verhuurd was, kon niet worden aangenomen omdat de overtreding na het einde van de huurperiode is vastgesteld. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.