Betrokkene kreeg een verkeersboete opgelegd voor het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden op 26 april 2022 in Tilburg. Betrokkene stelde dat de boete onredelijk en oneerlijk was en betwistte de hoogte van de boete.
De officier van justitie verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat het te laat was ingediend. De kantonrechter stelde vast dat het beroepschrift pas op 17 augustus 2022 bij de officier van justitie was ontvangen, terwijl de termijn van zes weken eindigde op 17 juni 2022. Betrokkene kon niet aannemelijk maken dat de termijnoverschrijding niet aan haar kon worden toegerekend.
Hoewel de zekerheidstelling van €149 niet was betaald, stelde de kantonrechter deze op nihil vanwege de financiële situatie van betrokkene. De kantonrechter verklaarde het beroep ongegrond, maar maakte de opgelegde verhoging van de sanctie ongedaan. De uitspraak werd gedaan op 26 januari 2024 door kantonrechter Speekenbrink.