ECLI:NL:RBZWB:2024:1133

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 januari 2024
Publicatiedatum
23 februari 2024
Zaaknummer
9265682 _ MB VERZ 21-179
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 11 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijk gegrond beroep tegen verkeersboete wegens hinderlijk parkeren met matiging boete

Betrokkene kreeg een boete opgelegd wegens het zodanig parkeren van zijn voertuig dat dit hinder voor het verkeer veroorzaakte op de Brasemstraat te Tilburg op 19 maart 2020. Betrokkene stelde dat er geen sprake was van gevaar of hinder en dat hij stelselmatig door politie werd gecontroleerd, wat niet nader werd onderbouwd.

De kantonrechter oordeelde dat de verklaring van de verbalisant en de bijgevoegde foto's voldoende bewijs vormden voor de overtreding. Er was geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de vaststelling. Wel werd vastgesteld dat de procedure langer dan twee jaar had geduurd, waardoor de boete met 25% werd gematigd.

De beslissing van de officier van justitie werd vernietigd en het beroep gedeeltelijk gegrond verklaard. Daarnaast werd de officier van justitie veroordeeld tot het betalen van proceskosten aan betrokkene. De boete werd aangepast naar een lager bedrag als gevolg van de matiging.

Uitkomst: Het beroep tegen de verkeersboete is gedeeltelijk gegrond verklaard en de boete is met 25% gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht
Zittingsplaats Tilburg
zaaknummer.: 9265682 \ MB VERZ 21-179
CJIB-nummer: 3062 5422 3289 0080
uitspraakdatum: 26 januari 2024
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam :
[betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [postcode] [plaats]
hierna: betrokkene
gemachtigde : mr. L.A.C. Cools (Möllerencools Advocaten)

Verloop van de procedure

Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 26 januari 2024. Namens de officier van justitie is verschenen mr. A. de Vreeze (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Gemachtigde en betrokkene zijn niet verschenen. De kantonrechter heeft op de zitting uitspraak gedaan.

Standpunten

De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven:
voertuig zodanig op de weg laten staan dat gevaar wordt/kan worden veroorzaakt of verkeer wordt/kan worden gehinderd op de Brasemstraat te Tilburg op 19 maart 2020 om 08:50 uur.
Gemachtigde heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat betrokkene het idee heeft dat hij stelselmatig door de politie wordt gecontroleerd. Betrokkene kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de politie en de gemeente zich heel nadrukkelijk richten op betrokkene. Deze gang van zaken is volstrekt onacceptabel. Gemachtigde verzoekt om een proceskostenvergoeding. Daaraan heeft gemachtigde toegevoegd dat er zijns inziens geen sprake is van het op de weg laten staan van het voertuig zodat gevaar kan worden veroorzaakt of dat verkeer kan worden gehinderd. Naar de stellige overtuiging van betrokkene was van mogelijke gevaarzetting dan wel hindering geen sprake.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht om de zekerheid gelet op het onderbouwde draagkrachtverweer op nihil te stellen en het beroep ongegrond te verklaren. Uit de foto’s blijkt voldoende dat er sprake is van hinder. De zittingsvertegenwoordiger is van mening dat gemachtigde heeft nagelaten om het verweer over het stelselmatig controleren nader te onderbouwen. Als hiervan sprake zou zijn, dan kon betrokkene hierover een klacht indienen bij de politie.

Overwegingen

Op grond van artikel 11 Wahv Pro moet de indiener van een beroepschrift eerst een bedrag aan zekerheidstelling betalen voordat het beroep in behandeling kan worden genomen. Betrokkene heeft deze zekerheidstelling van € 104,- niet betaald.
Betrokkene heeft aangevoerd de zekerheid niet te kunnen betalen en dit met stukken onderbouwd. De kantonrechter is van oordeel dat betrokkene dit voldoende aannemelijk heeft gemaakt. De te betalen zekerheid wordt daarom op nihil gesteld.
De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de verklaring van de verbalisant en de bijgevoegde foto’s - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. In zaken op grond van de Wahv biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven om te twijfelen aan de juistheid van die verklaring of indien dergelijke feiten en omstandigheden uit het dossier blijken.
De kantonrechter ziet in wat betrokkene heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant. Uit de foto’s in het dossier blijkt duidelijk dat betrokkene recht voor een ander voertuig heeft geparkeerd, waardoor er sprake is van hinder. Voorts is de kantonrechter, gelet op het aanvullend proces-verbaal, van oordeel dat er geen sprake is van een stelselmatige controle jegens betrokkene.
De boete is dus terecht opgelegd.
Een ieder heeft recht op behandeling van zijn rechtszaak binnen een redelijke termijn (artikel 6, lid 1 van het EVRM). Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:GHARL:2017:1777) is sprake van schending van die redelijke termijn van berechting wanneer de procedure bij de officier van justitie en de kantonrechter tezamen langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan bij het opleggen van de boete.
In dit geval is de boete opgelegd op 19 maart 2020 en is de redelijke termijn dus met bijna 2 jaar overschreden.
Omdat sprake is van een overschrijding zal de kantonrechter de boete matigen met 25% (zie ECLI:NL:GHARL:2023:6369). Het beroep tegen de inleidende beschikking is dus gedeeltelijk gegrond. De beslissing van de officier van justitie zal worden vernietigd.
Nu de boete wordt gematigd is er aanleiding voor een proceskostenvergoeding die als volgt is berekend:
administratief beroepschrift: 1 punt x gewicht 0,5 x € 624,- = € 312,00
beroepschrift kantonrechter: 1 punt x gewicht 0,5 x € 875,- =
€ 437,50
totaal € 749,50

Beslissing

De kantonrechter:
  • verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep gegrond en vernietigt die beslissing;
  • verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond en wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het bedrag van de boete wordt gewijzigd in
€ 105,-, plus € 9,- administratiekosten;
- veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene van € 749,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.W.M. Speekenbrink, kantonrechter, bijgestaan door de griffier E. Alekperov, en in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2024.
Als u het niet eens bent met deze beslissing, dan kunt u binnen 6 weken na de hieronder vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen als:
de boete meer dan € 110,00 bedraagt, of
uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u niet of niet op tijd zekerheid heeft gesteld.
Het beroepschrift moet worden ingediend bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant, Team strafrecht, postbus 90008, 4800 PA Breda. Het beroepschrift moet zijn ondertekend door degene die beroep heeft ingesteld of door de gemachtigde.
U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.
De procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij u in het beroepschrift uitdrukkelijk vraagt om een zitting waarop u uw standpunt mondeling wilt toelichten.
Datum verzending: