Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene werd beboet voor het inrijden tegen de verplichte rijrichting op een eenrichtingsweg in Tilburg op 25 februari 2022. Betrokkene stelde dat zij het bord niet had kunnen zien vanwege de plaatsing en het zicht dat werd belemmerd door een bus. Tevens voerde zij aan dat de boete niet redelijk was onder de gegeven omstandigheden.
De officier van justitie handhaafde de boete, stellende dat de bebording aanwezig was en dat van elke weggebruiker verwacht mag worden alert te zijn op verkeersborden. Wel werd erkend dat de hoorplicht in de administratiefrechtelijke fase was geschonden, wat aanleiding gaf tot matiging van de sanctie.
De kantonrechter stelde vast dat de overtreding had plaatsgevonden zoals door de verbalisant verklaard en dat het niet aan de weggebruiker is om de plaatsing van borden te beoordelen. Wel achtte de rechtbank de omstandigheden rondom het zicht op het bord voldoende reden om de boete te matigen tot nihil. De officier van justitie werd opgedragen het teveel betaalde bedrag terug te betalen.
Het beroep werd daarom gedeeltelijk gegrond verklaard en de boete gematigd. De uitspraak werd op 26 januari 2024 gedaan door kantonrechter Speekenbrink.
Uitkomst: De boete wegens inrijden tegen de verplichte rijrichting is gematigd tot nihil vanwege belemmerd zicht op het verkeersbord.