ECLI:NL:RBZWB:2024:1179

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 februari 2024
Publicatiedatum
26 februari 2024
Zaaknummer
BRE 22/3619
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling naheffingsaanslag BPM wegens waardevermindering door schade aan Mercedes-Benz

Belanghebbende heeft een naheffingsaanslag BPM ontvangen van € 4.486, waarbij de inspecteur geen rekening hield met een waardevermindering wegens schade aan een Mercedes-Benz GLE-klasse AMG. Belanghebbende had een taxatierapport overgelegd waarin een schadebedrag van € 12.015 werd vermeld, volledig in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde.

De inspecteur liet een hertaxatie uitvoeren door Domeinen Roerende Zaken, die geen schade constateerde omdat het voertuig niet getoond werd. De rechtbank stelt vast dat de bewijslast voor de schade op belanghebbende rust en dat normale gebruiksschade niet in mindering kan worden gebracht.

Na beoordeling van het fotomateriaal en de betwisting door de inspecteur concludeert de rechtbank dat de gestelde schade niet aannemelijk is en slechts normale gebruiksschade betreft. Daarom is de naheffingsaanslag terecht opgelegd en is het beroep ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard omdat de gestelde schade niet aannemelijk is gemaakt.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 22/3619

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 februari 2024 in de zaak tussen

[belanghebbende] , gevestigd te [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en

de inspecteur van de belastingdienst.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 28 juni 2022.
1.1.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 4.486.
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 31 januari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens de gemachtigde van belanghebbende: [gemachtigde] en namens de inspecteur: [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd en niet te hoog is. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. Meer specifiek is in geschil of een waardevermindering wegens schade in aanmerking genomen moet worden.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is de naheffingsaanslag terecht opgelegd en niet te hoog. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende heeft op aangifte een bedrag van € 12.912 aan Bpm voldaan ter zake van de registratie van het motorrijtuig Mercedes-Benz GLE-klasse AMG met [VIN nummer] (de auto).
4.1.
Bij de aangifte is een taxatierapport gevoegd van [bedrijf] van 3 juni 2021. In dit rapport heeft de taxateur een bedrag aan schade berekend van € 12.015. Dit bedrag is volledig in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde.
4.2.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Domeinen Roerende Zaken (DRZ). De bevindingen zijn opgenomen in een taxatierapport van 11 juni 2021. De hertaxateur heeft geen schade aan de auto in aanmerking genomen.
In onderdeel 6. ‘Bevindingen/opmerkingen’ heeft de hertaxateur vermeld:
“Of de opgegeven herstelwerkzaamheden terecht zijn opgegeven, of als gebruikersschade kunnen worden aangemerkt is alleen door een fysieke controle vast te stellen. Belanghebbende heeft het voertuig niet getoond.”
4.3.
De inspecteur heeft op basis van hem ter beschikking staande gegevens het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm moet worden vastgesteld op € 17.398. Vervolgens heeft de inspecteur de naheffingsaanslag opgelegd.

Motivering

Historische nieuwprijs en handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat
5. Ter zitting is komen vast te staan dat tussen partijen niet in geschil is dat de historische nieuwprijs € 133.153 bedraagt en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat € 67.971 bedraagt, zoals door de inspecteur als uitgangspunt is gehanteerd bij het opleggen van de naheffingsaanslag.
Waardevermindering wegens schade
6. De auto is niet getoond aan DRZ. Tussen partijen is terecht niet (meer) in geschil dat dit niet tot gevolg heeft dat sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast en dat dit ook niet is toegepast door de inspecteur.
6.1.
Omdat sprake is van een waardeverminderende omstandigheid rust de bewijslast voor de in aanmerking te nemen schade op belanghebbende. Belanghebbende dient de omvang van de schade, en de invloed daarvan op de handelsinkoopwaarde, aannemelijk te maken. De rechtbank merkt op dat zij géén expert is in de waardering van auto’s. De rechtbank is daarom in hoge mate afhankelijk van wat partijen aandragen, indien een geschil bestaat over de vraag of en zo ja in hoeverre er sprake is van schade. Belanghebbende heeft daartoe een taxatierapport overgelegd waarin een gedetailleerde omschrijving van de schade is opgenomen en ter onderbouwing daarvan foto’s zijn overgelegd van de auto.
6.2.
De rechtbank stelt voorop dat normale gebruiksschade niet in mindering gebracht kan worden op de handelsinkoopwaarde van de auto. Onder normale gebruiksschade dient te worden verstaan slijtage en kleine beschadigingen die ontstaan door gebruik van een voertuig en die passen bij de leeftijd en kilometrage van het voertuig. [1] Te denken valt hierbij aan slijtage aan motor en banden of kleine beschadigingen zoals steenslag, krasjes en kleine deuken.
6.3.
De inspecteur heeft de door belanghebbende bepleite schade beoordeeld aan de hand van de foto’s zoals bijgevoegd bij het taxatierapport van belanghebbende. Tevens heeft de inspecteur betoogd dat er meerdere factoren zijn die aanleiding geven om aan de juistheid van het taxatierapport te twijfelen en daarmee aan de aannemelijkheid van de door belanghebbende bepleite schade.
6.4.
Gelet op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur en gelet op het door belanghebbende overgelegde fotomateriaal heeft belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat met een bedrag aan schade rekening moet worden gehouden. De door belanghebbende gestelde ‘schade’ behelst naar het oordeel van de rechtbank niet meer dan normale gebruikersschade zoals onder 6.2 bedoeld. De inspecteur heeft dan ook terecht geen rekening gehouden met een waardevermindering wegens schade bij het opleggen van de naheffingsaanslag.

Conclusie en gevolgen

Het beroep is ongegrond. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.M. van Meer, griffier, op 26 februari 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 2, aanhef en onderdeel c, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992.