ECLI:NL:RBZWB:2024:1385
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- E.J.G. Eijssen
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen vaststelling WOZ-waarde woning te Breda
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning te Breda, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €703.000 per 1 januari 2021. De rechtbank beoordeelde of deze waarde te hoog was vastgesteld aan de hand van de vergelijkingsmethode met referentiewoningen.
Belanghebbende stelde dat de waarde maximaal €669.000 zou moeten zijn en voerde aan dat informatie over grondstaffel, indexeringscijfers en KOUDV-factoren niet volledig was verstrekt. De heffingsambtenaar stelde dat deze informatie via het taxatieverslag en de website beschikbaar was gesteld en dat de indexering correct was toegepast.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar voldoende inzicht had gegeven in de waardebepaling en dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de WOZ-waarde te hoog was. Ook werd het beroep ongegrond verklaard omdat de door belanghebbende ingediende taxatie onvoldoende onderbouwd was.
De WOZ-waarde en de aanslag onroerendezaakbelasting blijven gehandhaafd. Belanghebbende krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter Eijssen op 6 maart 2024.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €703.000 wordt ongegrond verklaard en de aanslag OZB blijft gehandhaafd.