ECLI:NL:RBZWB:2024:1387
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- E.J.G. Eijssen
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen WOZ-waardestelling van een twee-onder-een-kapwoning
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van zijn twee-onder-een-kapwoning, vastgesteld op €297.000 per 1 januari 2021, en stelde dat de waarde maximaal €285.000 zou moeten zijn. De heffingsambtenaar handhaafde de waarde en ondersteunde dit met een taxatierapport waarin vergelijkingswoningen werden gebruikt en indexering werd toegepast.
De rechtbank beoordeelde of de waarde te hoog was vastgesteld en oordeelde dat de heffingsambtenaar voldoende inzicht had gegeven in de gebruikte grondstaffel, indexeringspercentages en KOUDV-factoren, en dat belanghebbende onvoldoende bewijs had geleverd dat deze gegevens onjuist waren. Ook werd vastgesteld dat de heffingsambtenaar de verschillen tussen de woning en referentiewoningen adequaat had verwerkt.
Belanghebbende had een eigen taxatierapport overgelegd met een lagere waarde, maar dit rapport gaf onvoldoende inzicht in de vergelijking en onderbouwing van de waarde. Daarnaast had belanghebbende geen aanvullende bewijsstukken zoals foto’s overgelegd om de staat van de woning aan te tonen. De rechtbank concludeerde dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld en verklaarde het beroep ongegrond, waardoor de aanslag OZB gehandhaafd blijft.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waardestelling wordt ongegrond verklaard en de waarde van €297.000 blijft gehandhaafd.