ECLI:NL:RBZWB:2024:14
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen WOZ-waarde winkelruimte in Breda
Belanghebbende, gebruiker van een winkelruimte in Breda, maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van €522.000 vastgesteld per 1 januari 2022. De heffingsambtenaar handhaafde deze waarde na bezwaar. Belanghebbende stelde dat de waarde met 25% verlaagd moest worden vanwege onder meer de gevolgen van de coronapandemie.
De rechtbank toetste de waarde aan de hand van het taxatierapport, waarin de huurwaardekapitalisatiemethode werd toegepast. De huurwaarde was gebaseerd op het eigen huurcijfer van belanghebbende en vergelijkbare objecten, en de kapitalisatiefactor was onderbouwd met verkooptransacties van vergelijkbare panden. De rechtbank vond de onderbouwing voldoende en verwierp de stellingen van belanghebbende over onvoldoende verificatie en de invloed van de coronapandemie.
Ook het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen, omdat de termijn van twee jaar niet was overschreden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde de WOZ-waarde en liet de aanslag OZB ongewijzigd.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde van €522.000 wordt ongegrond verklaard en de aanslag OZB gehandhaafd.