ECLI:NL:RBZWB:2024:1408

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
5 maart 2024
Publicatiedatum
5 maart 2024
Zaaknummer
02-296067-20
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak verdachte overval tankstation wegens gebrek aan overtuigend bewijs

Op 23 augustus 2020 vond een overval plaats op het tankstation BP Mastpolder te Rucphen waarbij een vuurwapen werd gebruikt. Verdachte werd ervan verdacht samen met anderen deze overval te hebben gepleegd of daaraan medeplichtig te zijn geweest. De zaak is inhoudelijk behandeld op 20 februari 2024, waarbij het Openbaar Ministerie zich baseerde op verklaringen van vier medeverdachten die verdachte als betrokken aanwezen.

De rechtbank stelde vast dat verdachte deel uitmaakte van een vriendengroep/motorclub waar ook de medeverdachten toe behoorden. Uit communicatie binnen deze groep bleek dat verdachte uit de groep werd verwijderd en dat er sprake was van een conflict, vermoedelijk omdat verdachte met de politie zou hebben gesproken over een eerdere overval. De verklaringen van de medeverdachten werden hierdoor betwijfeld.

Daarnaast werden de spullen die bij de overval werden gebruikt niet bij verdachte aangetroffen, maar bij anderen. Gezien het ontbreken van objectief bewijs en de twijfel over de betrouwbaarheid van de verklaringen, oordeelde de rechtbank dat het wettig bewijs niet overtuigend was. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van het tenlastegelegde feit.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens gebrek aan overtuigend bewijs van betrokkenheid bij de overval.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-296067-20
vonnis van de meervoudige kamer van 5 maart 2024
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonadres]
raadsman mr. P. van de Kerkhof, advocaat te Tilburg

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 20 februari 2024, waarbij de officier van justitie, mr. J. Verschuren, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met anderen op 23 augustus 2020 een overval heeft gepleegd op tankstation BP Mastpolder te Rucphen (hierna: de BP), waarbij een vuurwapen is gebruikt dan wel dat hij dit heeft uitgelokt of hieraan medeplichtig is geweest.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het feit heeft gepleegd en baseert zich daarbij op de aangifte en de verklaringen van daders/medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] .
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte moet worden vrijgesproken. De afgelegde verklaringen door de daders/medeverdachten zijn onbetrouwbaar. Verder bewijsmateriaal dat verdachte betrokken is geweest bij de overval is er niet. Er kan niet buiten redelijke twijfel vastgesteld worden dat verdachte het feit (mede) heeft gepleegd.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte 3] op 23 augustus 2020 een overval heeft gepleegd op het tankstation BP Mastpolder te Rucphen. Hierbij waren ook [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] betrokken. [medeverdachte 3] is degene die het tankstation binnen is gegaan met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, terwijl hij een bivakmuts over zijn hoofd droeg, blauwe handschoenen aan zijn handen had, en een rode tas bij zich had. Hij heeft met het wapen op het raam van de kassa getikt en ‘money, money’ geroepen. Hierop heeft de man achter de kassa geld aan [medeverdachte 3] gegeven.
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verdachte bij deze overval betrokken was.
De rechtbank constateert dat het dossier geen objectief bewijs bevat op basis waarvan kan worden vastgesteld dat verdachte bij de overval aanwezig was of daarbij anderszins betrokken was. Het enige bewijs van de betrokkenheid van verdachte zijn vier verklaringen van daders/medeverdachten van de overval, namelijk van [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] Zij hebben alle vier verklaard dat verdachte betrokken was bij de overval. Deze verklaringen leveren wettig bewijs op van de betrokkenheid van verdachte bij de overval op het BP tankstation.
De vervolgvraag die de rechtbank moet beantwoorden is of het wettig bewijs overtuigend is. In dit verband heeft de verdediging aangevoerd dat de vier genoemde personen hebben samengespannen tegen verdachte, kort gezegd, omdat zij in de veronderstelling verkeerden dat hij met de politie gepraat had over een eerdere overval op een tankstation in Krabbendijke, waarbij dezelfde modus operandi gevolgd was als in Rucphen.
De rechtbank stelt vast dat verdachte deel uitmaakte van een vriendengroep/motorclub ‘ [naam 2] ’, waar ook [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] deel van uitmaakten. Deze vriendengroep/motorclub had op Signal een groepsapp. Op 16 september 2020 is verdachte uit deze groepsapp verwijderd. Op diezelfde dag is in de groepsapp door ‘ [naam 1] ’ gezegd dat iedereen het contact met verdachte moest blokkeren en dat dit het einde was voor verdachte. Hierop werd door [medeverdachte 2] gezegd dat ‘ze’ vrijdag gaan vergaderen over verdachte. De rechtbank begrijpt dat met ‘ze’ de vriendengroep/motorclub ‘ [naam 2] ’ wordt bedoeld. Verder stelt de rechtbank vast dat op 26 november 2020 in een telefoongesprek door [medeverdachte 2] tegen een onbekend gebleven persoon is gezegd dat verdachte gebabbeld heeft en dat “morgen” iedereen verplicht bij hem thuis moet zijn omdat “ze een serieus probleem hebben”.
Uit deze vaststaande feiten leidt de rechtbank af dat op 27 november 2020 door de vriendengroep/motorclub ' [naam 2] ' over verdachte is gesproken omdat hij in hun ogen een probleem vormde, terwijl alle daders/medeverdachten van de overval pas daarna – in december, januari en februari – voor het eerst door de politie zijn aangehouden en verhoord met betrekking tot de overval.
Daar komt bij dat de spullen die bij de overval zijn gebruikt (het wapen, de bivakmuts, handschoenen en de rode plastic tas) niet bij verdachte zijn aangetroffen, maar juist bij (een van de) anderen. Dit terwijl deze spullen volgens [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] van verdachte waren en door verdachte in de auto aan [medeverdachte 3] zouden zijn gegeven.
Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er voldoende aanwijzingen zijn dat [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] tegen verdachte hebben samengespannen. Daarmee is er sprake van voldoende twijfel over de betrouwbaarheid van hun verklaringen wat betreft de betrokkenheid van verdachte bij de overval. Deze verklaringen zijn daarom op dat punt niet overtuigend. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het tenlastegelegde feit.

5.De beslissing

De rechtbank:
Vrijspraak
-
spreekt verdachte vrijvan het tenlastegelegde feit.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.C. Gillesse, voorzitter, mr. C.H.W.M. Sterk en mr. S.W.M. Speekenbrink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.C.L.J. Luijten, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 5 maart 2024.
Mr. S.W.M. Speekenbrink is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.