ECLI:NL:RBZWB:2024:1447
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Heffingsrecht pensioenuitkering aan inwoner België toegewezen aan Nederland en rechtsherstel box 3
Belanghebbende, woonachtig in België, ontving Nederlandse pensioenuitkeringen van Aegon en PME en een AOW-uitkering van de SVB over de jaren 2016 tot en met 2018. De inspecteur legde navorderingsaanslagen op waarbij Nederland het heffingsrecht claimde over de pensioenuitkering van Aegon, in afwijking van de aangifte. De rechtbank beoordeelde of deze aanslagen terecht waren opgelegd.
De rechtbank stelde vast dat aan de voorwaarden van artikel 18, tweede lid, van het belastingverdrag tussen Nederland en België was voldaan, waardoor Nederland het heffingsrecht over de pensioenuitkering toekomt. Dit omdat de pensioenuitkering hoger was dan €25.000, fiscaal gefaciliteerd was opgebouwd en in België forfaitair werd belast, wat betekent dat minder dan 90% van de uitkering in de Belgische belastingheffing werd betrokken.
Ten aanzien van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3) stelde de rechtbank vast dat voor 2016 geen verlaging mogelijk was vanwege het ontbreken van een individuele buitensporige last. Voor 2017 en 2018 werd echter rechtsherstel verleend omdat de forfaitaire box 3-heffing in strijd was met het EVRM. De rechtbank stelde het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen voor deze jaren op nihil vast, omdat belanghebbende geen werkelijk rendement had behaald. De belastingrente werd dienovereenkomstig verminderd.
De beroepen tegen de navorderingsaanslagen 2017 en 2018 werden gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, en de inspecteur werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. Het beroep tegen de aanslag 2016 werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Nederland heeft het heffingsrecht over de pensioenuitkering en belanghebbende krijgt rechtsherstel voor box 3-heffing over 2017 en 2018.